Thema 5 Ecologie B4 Veranderende ecosystemen

Thema 5               Ecologie


B4
Veranderende
ecosystemen
1 / 33
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 4

In deze les zitten 33 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Thema 5               Ecologie


B4
Veranderende
ecosystemen

Slide 1 - Tekstslide

Leerdoelen B4
5.4.1 Je kunt veranderingen in een ecosysteem beschrijven.

5.4.2 Je kunt in een model gegeven informatie over ecosystemen gebruiken, bewerken en analyseren.

Sommige ecosystemen zijn al honderden jaren hetzelfde, andere ecosystemen blijven steeds in ontwikkeling. Nieuwe soorten komen, verdwijnen en maken plaats voor andere soorten. Je zou ook kunnen zeggen dat sommige ecosystemen in evenwicht zijn en andere naar een evenwicht toe werken.

Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Video

Pionier- en climaxecosysteem
  • Successie = verandering van de soortensamenstelling van een levensgemeenschap, waardoor deze geleidelijk overgaat in een andere ecosysteem. 

  • Nadat pioniersoorten zich gevestigd hebben, veranderen de omstandigheden. Er wordt meer grond vastgehouden en er ontstaat humus
Door doodgaan van planten en dieren ontstaat humus, waardoor de omstandigheden sterk verbeterd zijn. Hierdoor kunnen grotere planten op deze plek groeien, grotere dieren zich hier vestigen en het pionierecosysteem gaat over in een ander ecosysteem.
Dit maakt de omstandigheden nóg gematigder, zodat weer andere planten en dieren zich hier vestigen.

Slide 4 - Tekstslide

Pionierecosysteem
  • Op kale grond, een kale rots, nieuwe duin zal na verloop van tijd begroeid raken met korstmossen of kleine planten. Deze eerste vegetatie heten pioniers. Zij zijn erg tolerant wat de abiotische factoren als temperatuur betreft.
  • Deze planten trekken dieren aan, het eerste pionierecosysteem is ontstaan. Hierdoor worden de omstandigheden gunstiger voor nieuwe soorten om zich hier te vestigen.

Slide 5 - Tekstslide

Climaxstadium
  • Laatste stadium het climaxstadium. 
  • Grote biodiversiteit, weinig schommelingen in omstandigheden, veel soorten, kleine aantallen per soort.
  • Vaak kwetsbaar voor veranderingen van buitenaf: bodem van tropische regenwouden bevat weinig humus en zijn daardoor extreem kwetsbaar. Gevaar van erosie groot.
  •  Bijv. tropische regenwouden, koraalriffen en (in Nederland) loofbossen.


Slide 6 - Tekstslide

Fasen van successie

Slide 7 - Tekstslide

De verschillen op een rijtje









                                                       


                                                                                - netto productie groot                          - netto productie gering (opbouw=afbraak)
                                                                                - weinig gespecialiseerde niches     - sterk gespecialiseerde niches

Slide 8 - Tekstslide

veel lichte zaden
weinig, maar grote zaden

Slide 9 - Tekstslide

Primaire en secundaire successie
  • Primaire successie: successie op een bodem zonder humus.
  • Secundaire successie: successie als er al een bodem met humus aanwezig is.
  • Secundaire successie verloopt sneller dan primaire successie.
  • Bijv. de successie na het kappen van een bos of een bosbrand. 
Secundaire successie

Slide 10 - Tekstslide

Verlanding: successie in een plas

Slide 11 - Tekstslide

Gradiëntecosysteem 
  • Een ecosysteem met geleidelijke overgangen....bijvoorbeeld onze duinen
  • Landinwaarts: zout wordt zoet, kalkrijk wordt kalkarm, nat wordt droog
  • Gradiënt uit zich in opeenvolging van gebieden: strand, zeereep, open duinvalleien, struweelduinen en binnenrandduinbossen

Indicatorsoorten:
soorten die een aanwijzing geven over een kenmerk van het milieu

Slide 12 - Tekstslide

eerste pioniersoorten
grotere pioniersoorten volgen

Slide 13 - Tekstslide

grotere planten, dieren
climaxstadium

Slide 14 - Tekstslide

Slide 15 - Video

Indicatorsoorten
  • Soorten die een aanwijzing geven over een kenmerk van het milieu waarin ze voorkomen

  • Bijvoorbeeld over zuurgraad, vochtgehalte, voedselrijkdom, zoutgehalte, vervuiling en biodiversiteit
Watermijt: 
schoonwater, weinig vervuild
Vleesetende Ronde Zonnedauw: stikstofarm en vochtig
Maretak:
kalk in de bodem

Slide 16 - Tekstslide

Maak opdracht 51 t/m 55

Slide 17 - Tekstslide

Modelleren
  • Alternatief om complexe processen in dynamische  ecosystemen te doorgronden.
  • Vereenvoudigde voorstelling van de werkelijkheid met behulp van het uitvoeren van een virtueel experiment (computer). 
  • De resultaten geven antwoord op een probleemstelling die met een echt experiment niet of heel moeilijk is te beantwoorden, of pas na lange tijd.

Slide 18 - Tekstslide

Ecologisch model
  • De biotische factoren in een ecosysteem kunnen in verschillende evenwichts-situaties verkeren.
  • Bij een kleine verstoring kan de evenwichtssituatie worden gehandhaafd.
  • Bij een flinke verstoring kan er blijvend een nieuwe evenwichtssituatie ontstaan.

Slide 19 - Tekstslide

Voorbeeld konijnen
  • Konijnen eten grassen, kruiden en jonge struiken. Als de hoge grassen en jonge struiken niet worden gegeten, verdringen ze de kruiden en lage grassen.
  • Dus bij weinig konijnen weinig lagere gras en bij veel konijnen veel lagere gras. Beide situaties zijn stabiel, dus er is in beide situaties een biologisch evenwicht
  • Omslagpunt (kantelpunt): overgang tussen twee evenwichtssituaties

Instabiel toestand bij een epidemie: populatie konijnen neemt sterk af --> houtachtige planten groeien en verdringen de lagere grassen en kruiden  -->  geen voedsel voor konijnen, want die kunnen de houtachtige planten niet verteren --> populatie planten en konijnen zal niet meer hetzelfde zijn als voor de epidemie --> nieuw evenwicht

Slide 20 - Tekstslide

Nog een uitlegvideo over evenwichten

Slide 21 - Tekstslide

Maak opdracht 56 t/m 64
Klaar? 
Oefen de Flitskaarten en maak Test Jezelf

Neem daarna pas de context 'Soorten beschermen met citizen science
door en maak opdracht 65 t/m 67




Slide 22 - Tekstslide

Lesafsluiter B4

5.4.1 Je kunt veranderingen in een ecosysteem beschrijven.

5.4.2 Je kunt in een model gegeven informatie over ecosystemen gebruiken, bewerken en analyseren.

Slide 23 - Tekstslide

Waar zijn er meer wisselingen in abiotische factoren?
A
Pionierecosysteem
B
Climaxecosysteem

Slide 24 - Quizvraag

Wat gebeurt er bij een lage dichtheid aan konijnen met de hoeveelheid lagere grassen en kruiden?
A
Veel lagere grassen en kruiden
B
Weinig lagere grassen en kruiden
C
Evenveel lagere grassen en kruiden

Slide 25 - Quizvraag

Slide 26 - Link

Wat was je procentuele score?

Slide 27 - Open vraag

Welke type zaden past het best bij een pionierplant?
A
veel en licht
B
veel en zwaar
C
weinig en licht
D
weinig en zwaar

Slide 28 - Quizvraag

Slide 29 - Tekstslide

Geef hieronder het antwoord op de examenvraag

Slide 30 - Open vraag

Toets je kennis over ecologie
Op de volgende pagina vind je een oefentoets met 
30 vragen over Ecologie

Verder staan er op www.biologiepagina.nl ook nog examenvragen die je kunt oefenen. Heb je daar vragen over, stel ze in de workshopuren...

Slide 31 - Tekstslide

Slide 32 - Link

Wat was je procentuele score?

Slide 33 - Open vraag