§4.1 Stroomkringen

§4.1 Stroomkringen
Elektriciteit    = elektrische energie, stroom
Stroomkring = stroom gaat altijd rond
een kring met 
                                een spanningsbron (bijv batterij), 
                                verbruiker/ apparaat ( bijv lampje) 
                                en stroomdraden. 
     

1 / 20
volgende
Slide 1: Tekstslide
NatuurkundeMiddelbare schoolmavoLeerjaar 4

In deze les zitten 20 slides, met tekstslides.

Onderdelen in deze les

§4.1 Stroomkringen
Elektriciteit    = elektrische energie, stroom
Stroomkring = stroom gaat altijd rond
een kring met 
                                een spanningsbron (bijv batterij), 
                                verbruiker/ apparaat ( bijv lampje) 
                                en stroomdraden. 
     

Slide 1 - Tekstslide

§4.1 Stroomkringen
Gesloten stroomkring: 
nergens is een onderbreking
 
Open stroomkring:
ergens is een onderbreking


Slide 2 - Tekstslide

§4.1 Stroomkringen
Stroomsterkte:  stroming van electronen.
                                                                          Symbool: I(ntensité)
                                                                           Eenheid: A(mpère)
Geleider: stof, die de stroom doorlaat.
                                       Bijv: koper (alle soorten metaal), koolstof, ...
Isolator: stof, die geen stroom doorlaat.
                                       Bijv: wol zijde, kunstof, glas, ...



Slide 3 - Tekstslide

De ampèremeter moet in serie.
De voltmeter parallel over de lamp.

Slide 4 - Tekstslide

Slide 5 - Tekstslide

Weerstand berekenen

Weerstand kun je berekenen. 

R= Weerstand in ohm
U = spanning in volt
I = stroomsterkte in ampere

Slide 6 - Tekstslide

Een rechtevenredig verband tussen spanning en stroomsterkte. De weerstand (R=U/I) is constant.

Slide 7 - Tekstslide

Weerstand van een draad is afhankelijk van:
  • de lengte van de draad
  • de dikte van de draad 
  • het materiaal (soortelijke weerstand) van de draad

Slide 8 - Tekstslide

Welke draad heeft de grootste weerstand?
Welke draad heeft de kleinste weerstand?

Slide 9 - Tekstslide

Als de spanning stijgt, dan wordt de stroomsterkte groter.
Wel in steeds mindere mate.
Uit R=U/I blijkt dat R steeds groter wordt. 
Dit komt doordat het lampje steeds wamer wordt.

Slide 10 - Tekstslide

§4.1 Stroomkringen

Slide 11 - Tekstslide

§4.1 Stroomkringen
4.(I,U)-diagram van een fietslampje.
a. Waaraan zie je dat de weerstand
     van het lampje niet steeds  even groot is?
b. Bereken de weerstand van de lamp bij 2V.
c. Bereken de weerstand van de lamp bij 4V.


Slide 12 - Tekstslide

§4.1 Stroomkringen
Opdrachten voor de volgende les.
Noteer via gegeven, gevraagd, oplossing
de antwoorden in je schrift/klapper (A4-formaat)

Slide 13 - Tekstslide

§4.1 Stroomkringen
3. Om te controleren of een weerstand zich gedraagt volgens 
      de wet van Ohm, worden twee metingen uitgevoerd.
      a. Lees en noteer de spanning en stroomsterkte hieronder af (a).
      b. Bereken de weerstand met de gegevens van meting a.

Slide 14 - Tekstslide

§4.1 Stroomkringen
3. Om te controleren of een weerstand zich gedraagt volgens 
      de wet van Ohm, worden twee metingen uitgevoerd.
      c. Lees en noteer de spanning en stroomsterkte hieronder af (b).
     d. Bereken de weerstand met de gegevens van meting b.
     e. Is de wet van Ohm hier van toepassing?


Slide 15 - Tekstslide

Slide 16 - Tekstslide

Het I,U diagram van een gloeilampje
Schets het I,U diagram van een gloeilampje  en leg uit waarom de lijn zo loopt. Gebruik de woorden; spanning, stroomsterkte, temperatuur, weerstand.

Slide 17 - Tekstslide

Controle vragen lesdoel
Teken de opstelling om de weerstand van een lampje te bepalen.
Noteer bij de juiste meter 6 V en 200 mA.
Bereken de weerstand.

Slide 18 - Tekstslide

R = U/I = 6/0,2 = 30Ω
200 mA
6V

Slide 19 - Tekstslide

Aan de slag
Paragraaf 4.1 Stroomkringen
Wat: maken opdrachten 2,3,4,6,7,8,9*

Slide 20 - Tekstslide