ORGANISME · VOORTPLANTING
Examentraining
Voortplanting: zo pak je examenvragen aan
ORGANISME · VOORTPLANTING
Examentraining
Voortplanting: zo pak je examenvragen aan
Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Wolfgang Moroder / Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0 (uitsnede)
ORGANISME · VOORTPLANTING
Wat ga je kunnen?
Ik kan een schema en een hormoongrafiek lezen, het effect van een hormoon afleiden en een argument over ingrijpen in de voortplanting beoordelen.
Deze slide heeft geen instructies
ORGANISME · VOORTPLANTING
Zo pak je een examenvraag aan
1. Lees: wat is gegeven: een schema, een grafiek, een situatie of een argument?
2. Zoek: letters, assen, lijnen en eenheden: wat stijgt, wat daalt, wat volgt waarop?
3. Redeneer: koppel het gegeven aan het orgaan, het hormoon of de gebeurtenis die erbij hoort.
4. Schrijf: een kort antwoord met het begrip en de reden, met eenheid als je rekent.
Deze slide heeft geen instructies
ORGANISME · VOORTPLANTING
Vraagtype 1: een schema van organen lezen
Lees eerst de letters en volg elke lijn tot het orgaan waar die eindigt.
Let op de vorm: de baarmoeder is een peervormige spierwand, de eileider is een buis met franje.
Bij een reeks tekeningen volg je de pijlen en let je op wat er verandert in de eierstok.
Deze slide heeft geen instructies
Welke letter geeft de eileider aan?
Letter B
Letter A
Letter C
Letter D
A is de baarmoeder, B de eileider, C de eierstok, D de vagina en E de clitoris. Verwachte fout: C kiezen omdat de franje van de eileider vlak bij de eierstok liggen. Image credit: Eigen schema, LessonUp
Welke letter laat het geel lichaam zien?
Letter A
Letter B
Letter D
Letter C
A is een follikel met eicel, B een rijpe follikel, C het moment van de ovulatie en D het geel lichaam. Verwachte fout: C kiezen omdat daar de follikel is opengebarsten. Image credit: Eigen schema, LessonUp
ORGANISME · VOORTPLANTING
Vraagtype 2: een hormoongrafiek lezen
Kijk eerst naar de assen: de dag van de cyclus op de horizontale as, de hoeveelheid hormoon op de verticale as.
Volg elke lijn apart: waar stijgt die, waar piekt die en waar daalt die?
Koppel pieken en dalen aan gebeurtenissen in de eierstok en de baarmoeder.
Deze slide heeft geen instructies
Welke lijn laat progesteron zien?
Lijn A
Lijn C
Lijn B
Lijn D
A is LH (scherpe piek), B is FSH, C is progesteron (laag tot de ovulatie en hoog in de tweede helft) en D is oestrogeen (piek voor de ovulatie en een tweede, lagere piek). Verwachte fout: D kiezen omdat oestrogeen ook in de tweede helft stijgt. Image credit: Eigen schema, LessonUp
Op welke dag vindt ongeveer de ovulatie plaats?
Dag 7
Dag 21
Dag 28
Dag 14
De scherpe LH-piek (lijn A) valt op dag 14; de ovulatie volgt kort daarna. Verwachte fout: dag 21 kiezen, de dag met de piek van progesteron. Image credit: Eigen schema, LessonUp
ORGANISME · VOORTPLANTING
Vraagtype 3: het effect van een hormoon afleiden
Bepaal eerst welk orgaan het hormoon maakt en welk orgaan het doelwit is.
Zoek dan het effect: wat doet het hormoon met het doelwit?
Controleer of het effect past bij wat je weet over remmen en stimuleren.
Deze slide heeft geen instructies
Door de pil blijven oestrogeen en progesteron hoog. Wat gebeurt met FSH en LH?
FSH stijgt: er rijpen extra follikels
LH stijgt: de ovulatie komt eerder
Er verandert niets: de pil werkt op de baarmoeder
Ze blijven laag: er rijpt geen follikel
Hoge concentraties oestrogeen en progesteron remmen de afgifte van FSH en LH door de hypofyse, dus er rijpt geen follikel en er is geen ovulatie. Verwachte fout: denken dat de pil FSH laat stijgen.
Een jongen krijgt in de puberteit baardgroei en een lagere stem. Welk hormoon?
Oestrogeen
Testosteron
Progesteron
HCG
Testosteron uit de teelballen veroorzaakt de secundaire geslachtskenmerken bij de man. Verwachte fout: oestrogeen kiezen omdat dat ook een geslachtshormoon is.
Het opgezette schaap Dolly in het National Museum of Scotland
ORGANISME · VOORTPLANTING
Vraagtype 4: standpunten beargumenteren
Een ethisch argument gaat over goed en fout, een biologisch argument over wat er in het organisme gebeurt.
Noem bij een standpunt altijd het argument en zeg of het ethisch of biologisch is.
Een argument is geen mening: geef een reden.
Image credit: Sgerbic / Wikimedia Commons, CC BY-SA 4.0
Welk argument tegen klonen is een biologisch argument?
Mensen horen niet te sturen hoe een leven ontstaat
Een kloon heeft geen recht op een eigen identiteit
Klonen verkleint de genetische variatie in de populatie
Een dier wordt door klonen een koopwaar voor de mens
Klonen levert genetisch gelijke dieren, dus de variatie neemt af: een biologisch argument. De andere opties gaan over goed en fout. Verwachte fout: een ethisch argument kiezen omdat de rest van de opties vaak als eerste opkomt.
Welk argument over ingrijpen is een ethisch argument?
Een embryo verdient bescherming als begin van een mens
De slagingskans van IVF per poging is vrij laag
Bij hormoonbehandeling kunnen meerlingen ontstaan
Een kloon heeft hetzelfde DNA als de donor
De status van het embryo is een morele vraag. De andere opties beschrijven biologische feiten. Verwachte fout: de lage slagingskans kiezen, omdat dat een tegenargument is.
Welk vraagtype vind jij het lastigst?
Een schema van organen lezen
Een hormoongrafiek lezen
Het effect van een hormoon afleiden
Standpunten beargumenteren
Bespreek het vraagtype met de meeste stemmen kort na met een voorbeeld.
ORGANISME · VOORTPLANTING
Tips voor op het examen
Lees bij een schema eerst de letters en volg elke lijn tot het orgaan.
Bij een grafiek: eerst de assen, dan elke lijn apart; een scherpe piek van LH hoort bij de ovulatie.
Hormoon-vragen: noem welk orgaan het hormoon maakt, welk doelwit het heeft en of het remt of stimuleert.
Bij standpunten: noem het argument, zeg of het ethisch of biologisch is en geef een reden.
Deze slide heeft geen instructies