het weer, een praatje over het weer enz.

De zomer, het weer, een praatje over het weer, het weer in de zomer

Learning objective

1 / 21
volgende
Slide 1: Slide
newEditorNederlandsISK

In deze les zitten 21 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

De zomer, het weer, een praatje over het weer, het weer in de zomer

Learning objective

Nederlanders praten graag over het weer

Slide tekst

De seizoenen

Slide tekst

Woorden die bij de zomer en het weer horen

Slide tekst

Woorden over de zomer met juf M. het weer

Slide tekst

De zon, wolken, onweer


Slide tekst


Mooi weer

Het is mooi weer. De zon schijnt. Het is zonnig.

Het is warm, de warmte, de hitte

Het is warm, het is heet.

De warmte, de hitte

Ik heb het heet.


Ik heb last van de warmte

Wolken

Slide tekst

half bewolkt

onbewolkt

bewolkt

Soorten wolken

Slide tekst

Witte wolken

Licht donkere wolken

Dreigende, donkere wolken

Donkere wolken

Slide tekst

Regen

Het regent


Een regenbui

Donkere wolken - hagel

Slide tekst

Hagelsteen

Hagelstenen

Hagel in het verkeer

Het hagelt.

Het hagelt hagelstenen.

Het onweer

Slide tekst

Het onweer.


Het onweert.


De donder (het geluid).


De bliksem (het licht).

Wat moet je doen bij onweer?

Niet onder een boom.

Bliksem in de boom.

Dat is gevaarlijk. Wel doen!

Bukken, jezelf klein maken,

Twee voeten op de grond


Niet in het water. Belangrijk! Ga naar binnen.

Bliksem in het water.


Niet plat op de grond.

Onweer? Niet onder een boom!






Bliksem in de boom.


Dat is gevaarlijk.



Onweer? Niet in het water!


Bliksem in het water.



Onweer? Niet plat op de grond


Niet plat op de grond.

Wat moet je doen bij onweer?

Bukken, jezelf klein maken,


Twee voeten op de grond


Belangrijk! Ga naar binnen.


Herhaling woorden, zomer, weer

Het weer. Het is mooi weer.

De zomer

De zon, het is zonnig

De wolk, bewolkt, het is bewolkt

Het is koud. Het is warm. Het is heet.

Ik heb het koud. Ik heb het warm. Ik heb het heet.

Ik heb last van de hitte.

Ik heb last van de warmte.

De regen. Het regent.

De hagel. Het hagelt.


Herhaling woorden, zomer, weer

Het onweer. Het onweert.

De donder (het geluid)

De bliksem (het licht)


Wat moet je doen bij onweer?

Niet onder een boom gaan zitten.

Niet in het water gaan.

Niet plat op de grond gaan liggen.


Wel doen, bukken, je klein maken, op je hurken zitten, twee voeten op de grond.

Ga naar binnen!

Geniet van het weer!

Slide tekst