09. Spanning & Dialoog - mise-en-scène

Dialogen les 9: mise-en-scène






Theaterles Stad & Esch
1 / 25
volgende
Slide 1: Tekstslide
TheaterMiddelbare schoolmavo, havo, vwoLeerjaar 2

In deze les zitten 25 slides, met tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Dialogen les 9: mise-en-scène






Theaterles Stad & Esch

Slide 1 - Tekstslide

Leerdoel & planning
Lesduur: 2 lesuur
Leerdoel: je weet wat een mise-en-scène is en kunt zelf een mise-en-scène vormgeven die past bij jouw dialoog. 

Planning:
    1. Uitleg mise-en-scène
    2. Oefening mise-en-scene maken zonder context
    3. Mise-en-scène maken

    Slide 2 - Tekstslide

    Mise-en-scène: plaatsing
    Mise-en-scène betekent de plaatsing en aankleding op toneel.

    1. Plaats op het toneel ( plek, hoogte)
    2. Looprichting
    3. Attributen & Kostuum
    4. Decor & setting

    Slide 3 - Tekstslide

    Plaats acteurs op het toneel

    Slide 4 - Tekstslide

    Plaats acteurs op het toneel

    Slide 5 - Tekstslide

    Looprichting 

    Slide 6 - Tekstslide

    Looprichting 

    Slide 7 - Tekstslide

    Hoogte

    Slide 8 - Tekstslide

    Hoogteverschil 

    Slide 9 - Tekstslide

    Attributen 

    Slide 10 - Tekstslide

              Attributen 

    Slide 11 - Tekstslide

    Slide 12 - Video

    Slide 13 - Tekstslide

    Slide 14 - Tekstslide

    Slide 15 - Tekstslide

    Slide 16 - Tekstslide

    Slide 17 - Tekstslide

    Slide 18 - Tekstslide

    Waarom?
    Gedrag vertelt meer dan woorden. Op het toneel (en vaak ook daar buiten;) zie je gevoelens en verlangens vaak niet in de tekst, maar in het gedrag. Soms klopt wat je zegt met wat je doet, maar juist als het schuurt, wordt het spannend.

    Als ik zeg: "Ik ben niet boos", maar ik ren keihard de kamer uit... wat geloof je dan?

    De Regel: Alles op het toneel heeft een reden. Elke stap die je zet en elk voorwerp dat je pakt, vertelt een stukje van het verhaal. Als acteur is het jouw taak om die reden te vinden. 

    Slide 19 - Tekstslide

    ijs -
    De Tekst (10%): Wat we letterlijk zeggen (boven water).

    De Mise-en-scène (90%): Wat we écht voelen en doen (onder water).

    In deze opdracht gaan jullie onder water duiken en zoeken naar een reden voor gedrag en daar vervolgens de tekst uit laten komen.

    Let op: "een reden hebben" betekent niet dat het "logisch" moet zijn voor de buitenwereld, maar dat jij als speler moet weten waarom je het doet. 

    Slide 20 - Tekstslide

    Voorbeeld
    1. Maak met je duo een bewegingsreeks van 1 minuut. Er is nog géén verhaal en geen tekst!
    2. Leer je bewegingreeks (mise-en-scene) aan een ander groepje en leer een van een ander
    3. Gebruik de mise-en-scene in je dialoog. Probeer het zo logisch mogelijk te maken
    4. Presenteren een paar voor de klas

    Slide 21 - Tekstslide

    Oefening
    1. Maak met je duo een bewegingsreeks van 1 minuut. Er is nog géén verhaal en geen tekst!
    2. Leer je bewegingreeks (mise-en-scene) aan een ander groepje en leer een van een ander
    3. Gebruik de mise-en-scene in je dialoog. Probeer het zo logisch mogelijk te maken
    4. Presenteren een paar voor de klas

    Slide 22 - Tekstslide

    Taak: mise-en-scène (a)
    Bedenk voor  jullie dialoog een originele mise-en-scène die past bij jullie dialoog. Vervolgens speel de scene alsof hij in een andere taal is. Hierdoor ligt de focus op de mise-en-scene en niet op de tekst. Een paar presenteren dit aan de klas.

    Maak keuzes in:
    - positie (waar sta je)
    - hoogte (liggen, staan, zitten)
    - kijkrichting (waar kijk je naar)
    - attributen (welke spullen worden gebruikt)
    - kostuums (welke kostuums passen bij je personage?)




    Slide 23 - Tekstslide

    Taak: mise-en-scène (b)
    Bedenk voor  jullie dialoog een originele mise-en-scène die past bij jullie dialoog. Vervolgens kies je 3 interessante (stilstaande) beelden uit je mise-en-scene. Alsof je de scene 3 keer op pauze zet. Deze laten we zien aan de klas.

    Maak keuzes in:
    - positie (waar sta je)
    - hoogte (liggen, staan, zitten)
    - kijkrichting (waar kijk je naar)
    - attributen (welke spullen worden gebruikt)
    - kostuums (welke kostuums passen bij je personage?)




    Slide 24 - Tekstslide

    Volgende les
    De volgende les gaan we de dialoog verder oefenen en spreken we een presentatiemoment af.

    Slide 25 - Tekstslide