IJsbreker 1 hoofdstuk 4 tekst 5

IJsbreker
1 / 18
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2Middelbare schoolvmbo lwooLeerjaar 1

In deze les zitten 18 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 120 min

Onderdelen in deze les

IJsbreker

Slide 1 - Tekstslide

Luisteren

Opdracht 27, bladzijde 151 
IJsbreker hoofdstuk 4 
Tekst 5

Slide 2 - Tekstslide

Te laat -ongeveer-precies. 


IJsbreker hoofdstuk 4 tekst 5

Slide 3 - Tekstslide

Welke woorden van de vorige les weet je nog?

Slide 4 - Open vraag

Er is staking bij de bussen.
Wat doe je dan? 

De bus/trein heeft vertraging. Wat doe je dan? 

Er staat geen geld meer op je OV-pas. 
Wat doe je dan? 
Betaal je met een ov-chipkaart of met geld?


IJsbreker hoofdstuk 4 tekst 5
Spreken

Slide 5 - Tekstslide

Wat is vertraging?
A
Vervoer op tijd komt.
B
Vervoer dat niet komt.
C
Vervoer dat te laat komt.
D
Weet ik niet.

Slide 6 - Quizvraag

Wat betekent
staken in het
Openbaar Vervoer?
A
De bussen en treinen zijn kapot.
B
Op het station zijn geen passagiers.
C
De chauffeurs van de bussen hebben pauze.
D
Dat de bussen en treinen niet rijden.

Slide 7 - Quizvraag

Wat betekent:
Je hebt gelijk!
A
Het is niet waar
B
Het is waar
C
Hoezo?
D
Gelijk eten

Slide 8 - Quizvraag

Wat betekent:
later.
A
Nu
B
Straks
C
Gisteren
D
in de toekomst.

Slide 9 - Quizvraag

Wat betekent:
ongeveer.
A
Niet precies
B
Precies
C
Een beetje
D
Niks.

Slide 10 - Quizvraag

Ik vind stakingen in het Openbaar Vervoer .........
ūüėíūüôĀūüėźūüôāūüėÉ

Slide 11 - Poll

Slide 12 - Link

Als je te laat bent bij de bus/trein, dan .........
A
Ben je boos op de chauffeur.
B
Vind je dat vervelend
C
Ga je lopend naar school.
D
Ga je terug naar huis.

Slide 13 - Quizvraag

Oh, Oh.......
Geen geld meer op mijn OV-chipkaart.
Wat moet ik doen?
A
Mijn OV-chipkaart opladen.
B
Gewoon in de bus stappen.
C
Een los kaartje kopen.
D
Een OV-chipkaart lenen.

Slide 14 - Quizvraag

Mijn kaart
laad ik op bij de....
A
de otomaat
B
de atomaat
C
de etomeet
D
de automaat

Slide 15 - Quizvraag

Ik sta op ...............
A
het staasjon
B
de station
C
de bushalte
D
het station

Slide 16 - Quizvraag

we lezen samen: bladzijde 154
Opdracht 37. 
IJsbreker hoofdstuk 4
tekst 5 Samen lezen

Slide 17 - Tekstslide

Ik loop naar de tram.

Ik sta naast de tram.
Ik ben bij de tram.

Ik stap in de tram.
Ik ben in de tram. Ik zit in de tram.

Ik ga met de tram mee.

Ik stap uit de tram.



IJsbreker
Hoofdstuk 4 voorzetsels

Slide 18 - Tekstslide