Gerund or infinitive

Gerund or infinitive
1 / 43
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3,4

In deze les zitten 43 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 4 videos.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Gerund or infinitive

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Een werkwoord (verb) kan soms worden gebruikt als zelfstandig naamwoord (noun). Wanneer een werkwoord deze rol aanneemt spreek je van een gerund (werkwoord + ing).

De gerund is niets anders dan een werkwoord waar je +ing achter zet
 



Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 3 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Laten we eerst even kijken naar voorbeelden van wat de gerund NIET is:

- I am watching a video.
- He is playing with his brother.
- She was doing her homework.

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

GERUND

Laten we nu kijken naar voorbeelden van wat de gerund WEL is:
- I love playing a game tonight.
- Laughing is good for you.
- Susie likes shopping.
Hier wordt het werkwoord+ing, gebruikt als zelfstandig naamwoord. Je spreekt dan van de gerund. Dus een werkwoord als zelfstandig naamwoord is de gerund.


Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wanneer gebruik je een gerund (1)
Na werkwoorden waarmee je aangeeft wat je wel of niet leuk vindt: (like, dislike, love, hate, fancy, envy, enjoy):

- I like running on the street!
- I love doing my homework when I am at home.
Na zintuigelijke werkwoorden: (see, watch, hear, smell, feel):
- I watched him kayaking trough that river.
- Did you hear him screaming that loud before?




Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wanneer gebruik je een gerund (2)
Na de specifieke werkwoorden:
 avoid, consider, give up, go on, keep, manage, mind, prefer, recommend, start, stop en suggest:

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wanneer gebruik je een gerund? (3)
Na uitdrukkingen:
(it's no use, it's no good, can't help, can’t stand)

- She can't stand dancing with him.
- It makes no sense waiting for that boat.
Na voorzetsels:
- He eats his breakfast before heading out to work.
- My sister loves to think about leaving her house and going on a journey. 


Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wanneer gebruik je to + hele werkwoord? (1)

Na werkwoorden die een wens uitdrukken:
(wish, hope, want, dream, desire):
- I hope to see you next Friday.

p

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Na werkwoorden:
agree
decide
deserve
expect
hope
learn
need
offer
promise:
seem 
wait:
want

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wanneer gebruik je to+hele werkwoord (2)
Na werkwoorden die een bevel uitdrukken (demand, forbid, prohibit, allow, restrict):

- I demand to have dinner right now.
- You aren't allowed to jump over that fence kids!
Na de specifieke werkwoorden:
decide, expect, choose, hesitate, learn, refuse, manage:
- She didn't hesitate to dive into the water.
- We managed to get into the building through the back door.


Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

TOT SLOT

De gerund suggereert dat het al gebeurd is (al gaande is):
- I remember doing groceries (is al gebeurd)

De to + hele werkwoord suggereert dat het nog niet gebeurd is (in de toekomst pas echt gaat gebeuren):
- I remember to do groceries (moet je nog gaan doen)



Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 13 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Slide 14 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Slide 15 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Slide 16 - Link

Deze slide heeft geen instructies

Slide 17 - Link

Deze slide heeft geen instructies

Slide 18 - Link

Deze slide heeft geen instructies

She delayed ...
(get) out of bed.
A
to get
B
getting

Slide 19 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

He demanded ... (speak) to the manager.
A
to speak
B
speaking

Slide 20 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

I offered ... (help).
A
to help
B
helping

Slide 21 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

I miss ... (go) to the beach.
A
to go
B
going

Slide 22 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

I'd hate ... (arrive) too late.
A
to arrive
B
arriving

Slide 23 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

I chose ... (work) here.
A
to work
B
working

Slide 24 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

A Gerund is...
A
I'm afraid smoking isn't allowed.
B
I love smoking outside.
C
I was smoking a cigarette.
D
That girl is smoking hot!

Slide 25 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

This is going to be
A
easy
B
not so easy
C
not too difficult
D
difficult

Slide 26 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Bij welke werkwoorden moet je opletten? Noem er minimaal 3

Slide 27 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Slide 28 - Link

Deze slide heeft geen instructies

Slide 29 - Link

Deze slide heeft geen instructies

Slide 30 - Link

Deze slide heeft geen instructies

Wat valt je op aan deze zinnen?
  • Smoking is forbidden in the barbershop.
  • I look forward to seeing you next week.
  • Could you start doing your homework? 
  • That dress isn't worth buying.
  • He started running.


Slide 31 - Tekstslide

  • -ing staat achter sommige woorden
  • Vraag de leerlingen: Welk woord staat er voor? 
Gerund
Je gebruikt de '-ing vorm' als een soort zelfstandig naamwoord:

 1. Als het onderwerp van de zin.
Example: Biking in the mall is forbidden. 

2. Na voorzetsels. (kastwoorden)
Example: She's fond of cycling.

3. Na werkwoorden die zeggen hoe je iets vindt. (like, love, hate, enjoy, etc.)
Example: I love going to the movies. 

Slide 32 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies


Thanks for inviting me to the party!
A
Onderwerp
B
Werkwoorden (die zeggen hoe je iets vindt)
C
Voorzetsels

Slide 33 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


Smoking is forbidden in this school.
A
Onderwerp
B
Werkwoorden (die zeggen hoe je iets vindt)
C
Voorzetsels

Slide 34 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


I enjoy spending time with you.
A
Onderwerp
B
Werkwoorden (die zeggen hoe je iets vindt)
C
Voorzetsels

Slide 35 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


It's worth trying to sell it.
A
Werkwoorden (begin, einde, doorgaan)
B
Uitdrukkingen
C
Andere werkwoorden

Slide 36 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


He put off seeing her.
A
Werkwoorden (begin, einde, doorgaan)
B
Uitdrukkingen
C
Andere werkwoorden

Slide 37 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


....(write) in English is easy.

Slide 38 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies


I love ... (go) out to restaurants.

Slide 39 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

I'm looking forward to ... (receive) your letter.

Slide 40 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

That make-up product isn't worth ... (buy)

Slide 41 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies


My mother considers ... (leave) Rob.

Slide 42 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies


They suddenly stopped ... (run).

Slide 43 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies