K4 H3 Taalverzorging (III): verwijswoorden

DOEL


- je kunt de juiste verwijswoorden gebruiken
formuleren: 
verwijswoorden
1 / 38
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvmbo g, t, mavoLeerjaar 4

In deze les zitten 38 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

DOEL


- je kunt de juiste verwijswoorden gebruiken
formuleren: 
verwijswoorden

Slide 1 - Tekstslide

Het was vervelend dat ik in mijn vakantie kiespijn kreeg.
Het verwijst naar:
____
A
mijn vakantie
B
was vervelend
C
kiespijn
D
dat ik in mijn vakantie kiespijn kreeg

Slide 2 - Quizvraag

Die generatie wil dat er meer met haar wensen rekening wordt gehouden.
Haar verwijst naar:
_____
A
Die generatie
B
wensen
C
rekening houden
D
met haar wensen rekening houden

Slide 3 - Quizvraag

Het eerste elftal behaalde gisteren zijn derde overwinning op een rij.
Zijn verwijst naar:
_____
A
Het eerste elftal
B
derde overwinning
C
op een rij
D
derde overwinning op een rij.

Slide 4 - Quizvraag

De toneelvereniging zal haar voorstelling dit jaar in de Nobelaer geven.
Haar verwijst naar:
_____
A
De toneelvereniging
B
voorstelling
C
dit jaar
D
in de Nobelaer.

Slide 5 - Quizvraag

Ik moet mijn verstandskiezen laten trekken en dat valt niet mee.
Dat verwijst naar:
_____
A
verstandskiezen laten trekken
B
mijn verstandskiezen laten trekken
C
Ik
D
Ik moet mijn verstandskiezen laten trekken

Slide 6 - Quizvraag

Roken kan schadelijk voor je gezondheid zijn: daar kun je kanker van krijgen.
Daar ... van verwijst naar:
___________
A
Roken
B
schadelijk
C
voor je gezondheid
D
Roken kan schadelijk voor je gezondheid zijn

Slide 7 - Quizvraag

Doe oortjes in

en bekijk het volgende filmpje!

Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Video

Verwijswoorden


de-woorden: verwijs met deze of die



het-woorden: verwijs met dit of dat

de-woorden en het-woorden
Deze deur is op slot, maar die daar is wel open.
(de deur)
Dat paard is wild, maar dit hier is rustig.
(het paard)

Slide 10 - Tekstslide

Verwijswoorden


vrouwelijke woorden: verwijs met zij of haar


mannelijke woorden: verwijs met hij of zijn


onzijdige woorden: verwijs met het of zijn

vrouwelijk / mannelijk / onzijdig
Als mijn tante komt logeren, neemt zij haar hondjes mee.
Ben gaat zwemmen en hij neemt zijn duikbril mee.
Het rugbyteam behaalde zijn eerste beker.

Slide 11 - Tekstslide

Verwijswoorden

hun:



hen:

hun of hen

hun iPad (bezittelijk voornaamwoord)

Ik geef hun een iPad (meewerkend voorwerp zonder voorzetsel)

die jongen heeft hen voorgelogen (lijdend voorwerp)

Ik geef een iPad aan hen (na een voorzetsel)

Slide 12 - Tekstslide

Kies het juiste verwijswoord.

Let op: fouten maken mag, maar verbeter deze wel!

Slide 13 - Tekstslide

Jimmy's scooter, die/dat was gestolen, werd teruggevonden door de politie.
A
die
B
dat

Slide 14 - Quizvraag

Een roze koek vind ik lekker, maar deze/dit is bedorven
A
deze
B
dit

Slide 15 - Quizvraag

Een meisje die/dat bij mij in de klas zit, is verliefd op Luc.
A
die
B
dat

Slide 16 - Quizvraag

Het grote klaslokaal is bezet, maar deze/dit hier is leeg.
A
deze
B
dit

Slide 17 - Quizvraag

Het nieuwsbericht over de grote brand, die/dat op NU.nl stond, veroorzaakte veel onrust.
A
die
B
dat

Slide 18 - Quizvraag

Vul een passend verwijswoord in:
Suus bezocht haar opa en gaf ___ een tijdschrift.

Slide 19 - Open vraag

Vul een passend verwijswoord in:
Morgen kiest het verenigingsbestuur ___ nieuwe voorzitter.

Slide 20 - Open vraag

Vul een passend verwijswoord in:
Heb jij de adressen van alle honkbalteamleden? Wil je me ___ even e-mailen?

Slide 21 - Open vraag

Vul een passend verwijswoord in:
Deze mensen moeten aan de kant, want ____ staan in de weg.

Slide 22 - Open vraag

Vul een passend verwijswoord in:
Het meisje ___ op de cover van de Yes staat, is de zus van mijn vriendin.

Slide 23 - Open vraag

Vul een passend verwijswoord in:
De ouders gaven ___ mening over de lessen van de docent.

Slide 24 - Open vraag

Vul een passend verwijswoord in:
Waar is mijn mobieltje? Ik ben ___ al dagen kwijt.

Slide 25 - Open vraag

Vul een passend verwijswoord in:
In de studiewijzer staat de stof ___ jullie moeten leren voor het volgende proefwerk.

Slide 26 - Open vraag

Vul een passend verwijswoord in:
Jasper stelde zich voor aan de directrice en gaf ___ een hand.

Slide 27 - Open vraag

Vul een passend verwijswoord in:
Een roze koek vind ik lekker, maar ____ is bedorven.

Slide 28 - Open vraag

Het grote lokaal is bezet, maar ____ is leeg.
A
deze
B
dit

Slide 29 - Quizvraag

Een meisje____ bij mij in de klas zit is verliefd op Luc.
A
die
B
dat

Slide 30 - Quizvraag

Als Rik boos is, dan schreeuwt hij de longen uit ____ lijf.
A
zijn
B
haar

Slide 31 - Quizvraag

Jimmy's scooter, ____ gestolen was, werd teruggevonden door de politie.
A
die
B
dat

Slide 32 - Quizvraag

___, die volgend jaar vmbo-examen doet, wil laborante worden.
A
Zijn zus
B
Zij zusje

Slide 33 - Quizvraag

Heb jij ___ dat je moet maken al af?
A
de opdracht
B
het werkstuk

Slide 34 - Quizvraag

GELEERD?


- je kunt de juiste verwijswoorden gebruiken
formuleren: 
verwijswoorden

Slide 35 - Tekstslide

Schrijf op hoe je verwijswoorden juist moet gebruiken.

Slide 36 - Open vraag

Schrijf drie dingen
op die je deze les
hebt geleerd.

Slide 37 - Open vraag

Stel één vraag over iets dat je nog niet zo goed
hebt begrepen.

Slide 38 - Open vraag