2.4 Leren budgetteren

4 MAVO
2.4 Leren budgetteren
1 / 47
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolvmbo tLeerjaar 4

In deze les zitten 47 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 6 videos.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

4 MAVO
2.4 Leren budgetteren

Slide 1 - Tekstslide

Herhaling lesdoelen 2.3
  • Waarom lenen mensen geld?
  • Wat zijn de kosten van een lening?
  • Welke soorten leningen zijn er?

Slide 2 - Tekstslide

Lesdoelen 2.4
  • Waarom is het maken van een begroting verstandig?
  • Welke soorten uitgaven kun je hebben?
  • Hoe bereken je een maandelijkse reservering?

Slide 3 - Tekstslide

Waar denk je aan bij het woord 'begroting'?

Slide 4 - Woordweb

Slide 5 - Video

Begroting & budgetteren
Begroting
Een overzicht van je verwachte inkomsten en uitgaven voor de komende periode.
Budgetteren
<div>Zorgen dat je uitgaven niet hoger worden dan je inkomsten</div><div><br></div><div>→ dus geen geld tekort komen</div>

Slide 6 - Tekstslide

Reserveren
Betekenis
<ul><li>Geld opzijzetten (sparen) om hier later grote of onverwachte uitgaven mee te betalen. &nbsp;&nbsp; </li><li>Je reserveert vooral voor incidentele* uitgaven (vakantie, aanschaf duur apparaat). &nbsp;&nbsp; </li><li>*incidenteel: af en toe</li></ul>
Formule
bedrag dat je nodig hebt : aantal maanden = reservering per maand
Voorbeeld
<div>Sophie wil over twee jaar een scooter van € 1.800 kopen. &nbsp; </div><div><br></div><div>Hoeveel moet ze per maand reserveren?&nbsp; </div><div><br></div><div>€ 1.800 : 24 = € 75 per maand reververen.</div>

Slide 7 - Tekstslide

NIBUD
Nationaal Instituut voor BUDgetvoorlichting

Slide 8 - Tekstslide

Soorten uitgaven
  1. Dagelijkse uitgaven
  2. Vaste lasten
  3. Incidentele uitgaven
<div>De gewone uitgaven die je betaald van het huishoudgeld (bijv. eten, drinken, persoonlijke verzorging)</div>
<div>De uitgaven die iedere maand of kwartaal terugkomen (bijv. rekening voor gas en elektriciteit, woonlasten, verzekeringen, contributies en abonnementen)</div>
<div>Uitgaven die je niet zo vaak doet of die niet regelmatig zijn (kleding, meubels, vakantie, reparaties)</div>

Slide 9 - Tekstslide

Slide 10 - Link

Geld tekort? 3 oplossingen


- Inkomsten vergroten

- Geld lenen als het echt niet anders kan

- Bezuinigen (= uitgaven verminderen)


Let op! Je kunt niet meteen op vaste lasten bezuinigen

(= abonnementen etc.)


Slide 11 - Tekstslide

Wat is budgetteren?
A
een begroting maken
B
een (financieel) plan maken
C
geld sparen
D
geld uitgeven

Slide 12 - Quizvraag

Benzine tanken hoort bij de ...
A
Huishoudelijke uitgaven
B
Incidentele uitgaven
C
Vaste lasten
D
Wekelijkse uitgaven

Slide 13 - Quizvraag

Uitgaven zijn te verdelen in de volgende groepen: persoonlijke uitgaven, huishoudelijke uitgaven, vaste lasten en incidentele uitgaven.
Tot welke groep behoort de reparatie van een computer?
A
Persoonlijke uitgaven
B
Huishoudelijke uitgaven
C
Vaste lasten
D
Incidentele uitgaven

Slide 14 - Quizvraag

Uitgaven zijn te verdelen in de volgende groepen: persoonlijke uitgaven, huishoudelijke uitgaven, vaste lasten en incidentele uitgaven.
Tot welke groep behoort de aankoop van een cd-speler?
A
Persoonlijke uitgaven
B
Huishoudelijke uitgaven
C
Vaste lasten
D
Incidentele uitgaven

Slide 15 - Quizvraag

Uitgaven zijn te verdelen in de volgende groepen: persoonlijke uitgaven, huishoudelijke uitgaven, vaste lasten en incidentele uitgaven.
Tot welke groep behoort de aankoop van een allesreiniger?
A
Persoonlijke uitgaven
B
Huishoudelijke uitgaven
C
Vaste lasten
D
Incidentele uitgaven

Slide 16 - Quizvraag

Uitgaven zijn te verdelen in de volgende groepen: persoonlijke uitgaven, huishoudelijke uitgaven, vaste lasten en incidentele uitgaven.
Tot welke groep behoort de contributie van een zwemclub?
A
Persoonlijke uitgaven
B
Huishoudelijke uitgaven
C
Vaste lasten
D
Incidentele uitgaven

Slide 17 - Quizvraag

Als je geld uitgeeft voor het abonnement van je telefoon zijn dat ..
A
dagelijkse uitgaven.
B
incidentele uitgaven.
C
vaste uitgaven.
D
vaste lasten.

Slide 18 - Quizvraag

Uitgaven zijn te verdelen in de volgende groepen: persoonlijke uitgaven, huishoudelijke uitgaven, vaste lasten en incidentele uitgaven.
Tot welke groep behoort een abonnement op een tijdschrift?
A
Persoonlijke uitgaven
B
Huishoudelijke uitgaven
C
Vaste lasten
D
Incidentele uitgaven

Slide 19 - Quizvraag

Akki en Lidy verdienen € 1.500. Ze krijgen hun tweede
kind. Zij verhogen hun budget voor hun kinderen met:
A
2 × € 195 – € 255 = € 135
B
2 × € 165 – € 255 = € 75
C
2 × € 195 – € 165 = € 225
D
2 × € 165 – € 195 = € 135

Slide 20 - Quizvraag

Trudy en Henk verdienen
€ 2.000. Ze krijgen hun eerste
kind. Het budget voor hun kind wordt:
A
€ 340.
B
€ 260.
C
€ 220.
D
€ 210.

Slide 21 - Quizvraag

Alex en Krista verdienen € 1.750. Zij krijgen hun derde
kind. Zij verhogen het budget voor hun kinderen met:
A
€ 130
B
€ 125
C
€ 115
D
€ 120

Slide 22 - Quizvraag

Hoe groot is ieders deel in de gezamenlijke kosten?
A
€ 700 per maand
B
€ 800 per maand
C
€ 850 per maand
D
€ 900 per maand

Slide 23 - Quizvraag

Welk bedrag blijft er over voor Imauri?
A
€ 250 per maand
B
€ 300 per maand
C
€ 350 per maand
D
€ 400 per maand

Slide 24 - Quizvraag

Welk bedrag blijft er over voor Oscar?
A
€ 0 per maand
B
€ 50 per maand
C
€ 150 per maand
D
€ 180 per maand

Slide 25 - Quizvraag

Ze kiezen voor een andere verdeling van de gezamenlijke
uitgaven. Ieder houdt € 200 van het salaris voor de persoonlijke
uitgaven en de rest is voor de gezamenlijke uitgaven.
Hoeveel betaalt Imauri dan aan de gezamenlijke uitgaven?
A
€ 500 per maand
B
€ 1000 per maand
C
€ 2000 per maand
D
€ 2500 per maand

Slide 26 - Quizvraag

Neem aan dat jij gaat samenwonen. Wat is dan volgens
jou een eerlijke verdeling van de gezamenlijke uitgaven?

Slide 27 - Open vraag

Wat heb je geleerd?

Slide 28 - Tekstslide

Uitgaven zijn te verdelen in de volgende groepen: persoonlijke uitgaven, huishoudelijke uitgaven, vaste lasten en incidentele uitgaven.
Tot welke groep behoort een abonnement op een tijdschrift?
A
Persoonlijke uitgaven
B
Huishoudelijke uitgaven
C
Vaste lasten
D
Incidentele uitgaven

Slide 29 - Quizvraag

Bart en Janneke hebben twee kinderen. Hun inkomen daalt van € 2.500 naar € 2.000. Zij passen het budget voor hun kinderen aan het lagere inkomen aan. Zij verlagen hun budget met:
A
€ 130
B
€ 125
C
€ 115
D
€ 120

Slide 30 - Quizvraag

Waarom is het maken van een begroting verstandig?

Slide 31 - Open vraag

Welke soorten uitgaven kun je hebben?

Slide 32 - Open vraag

Hoe bereken je een maandelijkse reservering?

Slide 33 - Open vraag

Slide 34 - Link

Slide 35 - Link

Slide 36 - Video

Extra uitleg

Slide 37 - Tekstslide

Vaste lasten:
Vaste lasten zijn kosten die elke maand terug komen.
Wanneer je een eigen woning hebt (huur of koop), zijn er kosten die elke maand terug komen.
Denk bijvoorbeeld aan:
  • Hypotheek of huur
  • verzekeringen (inboedel en opstal)
  • riool- en afvalstoffenheffing
  • waterschapslasten
  • elektrischiteit, gas en water
  • telefoon, tv en internet

Slide 38 - Tekstslide

Slide 39 - Video

Slide 40 - Video

Slide 41 - Video

Slide 42 - Video

Inkomensvormen
• Inkomen uit arbeid (loon, salaris)
• Inkomen uit bezit (rente, huur, pacht)
• Overdrachtsinkomen (uitkering, zakgeld, kinderbijslag)

Inkomen uit arbeid en bezit lever je een tegenprestatie voor.
Voor een inkomensoverdracht lever je geen tegenprestatie.

Slide 43 - Tekstslide

Extra oefening

Slide 44 - Tekstslide

1. Bekijk bladzijde 280 om nogmaals te zien hoe je kredietkosten uitrekent.

2. Bekijk opdracht 12 t/m 19 op bladzijde 64 en 65 van 'Rekenen' en maak diegene die jij lastig vindt.

2. Bekijk opdracht 19 t/m 26 op bladzijde 62 van 'oefenopgaven' en maak diegene die jij lastig vindt.

Slide 45 - Tekstslide

Extra uitdaging

Slide 46 - Tekstslide

Examentraining
Daag jezelf uit en probeer opdracht 6 t/m 11 op bladzijde 68 en 69

Slide 47 - Tekstslide