voorzetsels 4e naamval en persvnw. 4e naamval 9-2-2023

Willkommen!
Kom rustig binnen;
Pak je spullen er alvast bij;
Wacht totdat de docent begint met de les.
1 / 14
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMiddelbare schoolmavoLeerjaar 2

In deze les zitten 14 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Willkommen!
Kom rustig binnen;
Pak je spullen er alvast bij;
Wacht totdat de docent begint met de les.

Slide 1 - Tekstslide

SERVUS WIEN!

Slide 2 - Tekstslide

der Unterrichtsplan

- Rückblick 
- Lektion 4 Aufg. 7 kontrollieren
- Erklärung: Voorzetsels met de 4e naamval + persoonlijk voornaamwoord in de 4e naamval
- Aufg. 8 bis einschl. 10 machen.
klaar? 


 


Slide 3 - Tekstslide

die Lernziele:

- Je kunt het persoonlijk voornaamwoord in de 4e naamval toepassen, na de voorzetsels in de 4e naamval

- je kent de betekenis van de voorzetsels in de 4e naamval

Slide 4 - Tekstslide


die Hausaufgaben:  Lektion 4 Opgave 1/5 en 7 gecontroleerd?
Vragen? 


Slide 5 - Tekstslide

1e naamval          
ich  - ik                  
du   - jij                   
er    - hij                  
sie  - zij                  
es   - het                
wir  - wij                 
ihr   - jullie             
sie   - zij                  
Sie   - u                   
4e naamval
mich     - mij
dich      - jou
ihn         - hem
sie         - haar
es          - het      
uns        - ons
euch     - jullie
sie         - hen/hun
Sie        - u

Slide 6 - Tekstslide

Voorzetsels 4e naamval
durch = door
für= voor 
ohne= zonder
um= om
gegen = tegen
bis= tot
entlang= langs/parallel aan
Ezelsbruggetje: goedbuf  

Slide 7 - Tekstslide

Als je het voorzetsel met de 4e naamval vóór of in het zinsdeel ziet staan, dan moet je het persoonlijk voornaamwoord in de 4e naamval zetten. 

Bijvoorbeeld: Sie hat für ________ ( hem) ein Geschenk. 
für = voorzetsels met de 4e naamval

Zet het persoonlijk voornaamwoord in de 4e naamval
Sie hat für ihn ein Geschenk. 

Ich habe gestern gegen ______ ( jou) gespielt. 
gegen= voorzetsel met de 4e naamval. 

Zet het persoonlijk voornaamwoord in de 4e naamval
Ich habe gestern gegen dich gespielt.



Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Link

durch
für
ohne
um
bis
gegen
entlang

   door

  voor

  zonder

   om

   tot

  tegen
langs

Slide 10 - Sleepvraag

Vul nu het juiste persoonlijk voornaamwoord in.
_____ (ik) komme ohne ______ ( jullie) .
Vul in: ____/_____

Slide 11 - Open vraag

Du hast durch _____ ( mij) die Aufgabe gut gemacht.

Slide 12 - Open vraag

Je gaat naar de site van neuneinhalb: neuneinhalb - für dich mittendrin - neuneinhalb - TV - Kinder (wdr.de)

Dan naar: 
1. Sendungen
2. Übersicht Sendungen
3. Kies een Thema
4 Kies een video
         

Bekijk het fragment en maak een samenvatting.

Denk aan: Wie,wat,waar,wanneer, waarom, hoe

Slide 13 - Tekstslide

Hausaufgaben:  Maak deze luisteropdracht online. 
https://lingua.com/nl/duits/luisteren/bei-den-grosseltern en opgave 8 t/m 10 

Slide 14 - Tekstslide