Dagen en kalender

Dagen en kalender

1 / 18
volgende
Slide 1: Slide
newEditorRekenenVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 4

In deze les zitten 18 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 20 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Dagen en kalender

Deze slide heeft geen instructies

Dit ga ik leren

Ik kan de dagen van de week noemen, de dag op een kalender aflezen en bepalen wat gisteren, eergisteren, morgen en overmorgen is.

Deze slide heeft geen instructies

Waar denk je aan bij het woord kalender?

Laat leerlingen woorden noemen zoals maandag, weekend, gisteren of morgen. Gebruik de woordwolk om voorkennis op te halen.

De week is een rij

  • De week bestaat uit 7 dagen.

  • Elke dag heeft een vaste plek.

  • Na maandag komt dinsdag.

  • Na zaterdag komt zondag.

  • Daarna begint de week opnieuw.

Deze slide heeft geen instructies

Werkdagen en weekend

  • Doordeweekse dagen: maandag, dinsdag, woensdag, donderdag, vrijdag

  • Weekend: zaterdag en zondag

Dit helpt leerlingen om dagen sneller te herkennen en te ordenen.

Welke dag komt na donderdag?


A

vrijdag

B

woensdag

C

zaterdag

D

dinsdag

Checkt de vaste volgorde van de week uit slides 2-4.

Woorden bij terug in de tijd

  • gisteren: 1 dag terug

  • eergisteren: 2 dagen terug


Vandaag is het donderdag, dus gisteren (1 dag eerder) was het ........

Vandaag is het donderdag, dus eergisteren (2 dagen terug) was het ........

Gebruik consequent het woord 'eergisteren'. In de invoer staat waarschijnlijk per ongeluk twee keer 'gisteren'.

Woorden bij tijd in de toekomst


  • morgen: 1 dag verder

  • overmorgen: 2 dagen verder

Vandaag is het donderdag, dus morgen (1 dag verder) is het ........

Vandaag is het donderdag, dus overmorgen (2 dagen verder) is het .......

Gebruik consequent het woord 'eergisteren'. In de invoer staat waarschijnlijk per ongeluk twee keer 'gisteren'.

Als het zondag is, welke dag is morgen?

A

zaterdag

B

maandag

C

vrijdag

D

dinsdag

Toetst het lastige overgangspunt over het weekend uit slide 11.

Als het zondag is, welke dag was het gisteren?

A

zaterdag

B

maandag

C

vrijdag

D

dinsdag

Toetst het lastige overgangspunt over het weekend uit slide 11.

Als het woensdag is, welke dag is overmorgen?

A

zaterdag

B

zondag

C

vrijdag

D

dinsdag

Toetst het lastige overgangspunt over het weekend uit slide 11.

Als het dinsdag is, welke dag was het eergisteren?

A

zaterdag

B

maandag

C

vrijdag

D

zondag

Toetst het lastige overgangspunt over het weekend uit slide 11.

Als het maandag is, welke dag is overmorgen?

A

donderdag

B

maandag

C

woensdag

D

dinsdag

Toetst het lastige overgangspunt over het weekend uit slide 11.

Als het donderdag is, welke dag was het eergisteren?

A

zaterdag

B

zondag

C

vrijdag

D

dinsdag

Toetst het lastige overgangspunt over het weekend uit slide 11.

Een kalender lezen

Wijs aan dat een kalender vaak in kolommen is opgebouwd: elke kolom hoort bij één dag van de week.

Deze slide heeft geen instructies

Woordenlijst

week - zeven dagen samen


dag - een naam in de week, zoals maandag


datum - het getal van een dag op de kalender


kalender - een overzicht van dagen en datums


doordeweekse dagen - maandag tot en met vrijdag

weekend - zaterdag en zondag


Deze slide heeft geen instructies

Woordenlijst

gisteren - één dag terug

eergisteren - twee dagen terug

morgen - één dag verder

overmorgen - twee dagen verder


Maken Gynzy dagen van de week + andere taken.

Klaar: rekenpuzzel kleuren.

Deze slide heeft geen instructies