Relative pronouns

Relative pronouns: who/whom/whose/which/that
1 / 18
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

In deze les zitten 18 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 15 min

Onderdelen in deze les

Relative pronouns: who/whom/whose/which/that

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Tekstslide

who -> verwijst naar personen
Clark played tennis with Bruce, who was still injured.

which -> verwijst naar dieren & dingen
This is the pen which I got for my birthday.


Slide 3 - Tekstslide

that -> gebruik je in plaats van who/which. 
This is the pen that I got for my birthday.
Dit mag ALLEEN als de bijzin niet tussen twee komma's staat. 

De bijzin tussen twee komma's geeft extra informatie. 
His father, who is over sixty, is going to get married soon.
Je kunt deze soort bijzinnen herkennen aan het volgende: zonder deze informatie blijft het nog steeds een goede Engelse zin:              His father is going to get married soon.

Slide 4 - Tekstslide

whose -> personen, dieren, dingen. Aangeven van wie/wat iets is (bezit).
The student whose book was damaged.
That is the house whose roof was blown off.

whom -> personen, gebruik alleen na een voorzetsel. 
The woman  to whom Barry is talking is a teacher.

Let op: 
The woman who/that Barry is talking to, is a teacher.

Slide 5 - Tekstslide

Wanneer laat je who/which/that weg?
Als het woord NIET terug slaat op het onderwerp.
Zonder who/which/that blijft het een goede Engelse zin. 

This is the girl .....X..... I saw yesterday. 
I is het onderwerp van de zin, NIET the girl.
The car .....X..... she bought in 2019 is red.
she is het onderwerp van de zin, NIET the car.

Slide 6 - Tekstslide

Welke woorden horen bij personen?
A
who and which
B
who, whose and whom
C
which and whom

Slide 7 - Quizvraag

I want to read the book........you gave me.
A
which, that , who
B
which, that, X
C
who, whose, whom
D
which, that

Slide 8 - Quizvraag

Fred is someone ... speaks very slowly.
A
who, that, x
B
who, that
C
which, whose
D
whom, x

Slide 9 - Quizvraag


Crafts is something ....... I can't get enough of.
A
which, that , who
B
which, that, X
C
who, whose, whom
D
which, that

Slide 10 - Quizvraag


When can THAT be used?

A
with animals
B
with things
C
with people
D
with commas in the sentence

Slide 11 - Quizvraag

The man .... picture is in the paper is the main suspect.
(Who/whom/whose/which/that)

Slide 12 - Open vraag

fill in the blanks. Choose from the words:
who / whose / whom / which / that / x.
Give all possibilities. Verdeel met / en noteer in volgorde zoals het hier staat)

This is the man.... house in on fire

Slide 13 - Open vraag

fill in the blanks. Choose from the words:
who / whose / whom / which / that / x.
Give all possibilities. Verdeel met / en noteer in volgorde zoals het hier staat)

The men, four of .... are ill, were indicted for fraud

Slide 14 - Open vraag

fill in the blanks. Choose from the words:
who / whose / whom / which / that / x.
Give all possibilities. Verdeel met / en noteer in volgorde zoals het hier staat)

Mandy is the girl...... I met on Friday

Slide 15 - Open vraag

fill in the blanks. Choose from the words:
who / whose / whom / which / that / x.
Give all possibilities. Verdeel met / en noteer in volgorde zoals het hier staat)

The CD .... she gave me is great

Slide 16 - Open vraag

fill in the blanks. Choose from the words:
who / whose / whom / which / that / x.
Give all possibilities. Verdeel met / en noteer in volgorde zoals het hier staat)

I haven't seen Frank, ...... brother is five, for a long time now.

Slide 17 - Open vraag

Slide 18 - Video