1.4 Organellen'

1.4 Organellen


De functie en kemerken kunnen herkennen van de celkern, het endoplasmatisch reticulum (ER) en Golgisysteem

1 / 10
volgende
Slide 1: Slide
newEditorBiologieWOStudiejaar 4

In deze les zitten 10 slides, met tekstslides.

Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

1.4 Organellen


De functie en kemerken kunnen herkennen van de celkern, het endoplasmatisch reticulum (ER) en Golgisysteem

Organisatieniveau's

  • Komende lessen gaan wij moleculen en organellen bestuderen.

  • Een cel bevat verschillende organellen. Een organel is een gespecialiseerd onderdeel van een cel met een eigen functie.


  • Alle organellen samen zorgen dat de cel goed kan functioneren (= Emergente eigenschap).



De Cel

Text

De Celkern

  • Een van de belangrijkste organellen is de celkern.


  • Relatief groot organel omgeven door het kernmembraan. In de celkern zit het kernplasma met daarin het kernlichaam.


  • In het kernplasma liggen chromosomen. Deze bestaan uit lange moleculen DNA die rond eiwitten zijn gewikkeld (Binas 70 A). Wat is de functie van DNA?



DNA

  • DNA bevat informatie dat codeert voor eiwitten


  • Eiwitten zijn betrokken bij bijna alle processen in je lichaam.


  • Eiwitten bepalen/beïnvloeden:

    • Je oogkleur

    • Je bloedgroep

    • Afweer

    • Vertering

    • etc..


  • Eiwitten worden gemaakt met behulp van ribosomen (Binas 71J).


  • In het kernlichaampje worden de onderdelen van ribosomen gemaakt.


  • Deze onderdelen verlaten de celkern via de kernporiën naar het cytoplasma en worden samengevoegd tot functionele ribosomen.

  • Organellen bevinden zich in het cytoplasma.


  • DNA in de celkern wordt afgelezen en hiervan wordt mRNA gemaakt.


  • mRNA verlaat de celkern via de kernporiën en gaat naar een ribosoom.


  • Ribosomen op het ruw ER maken eiwitten aan.

De interactie tussen organellen (Binas 79D)

De interactie tussen organellen

  • Eiwitten worden via transportblaasjes naar het Golgisysteem vervoerd.


  • Het Golgisysteem bewerkt de eiwitten tot hun functionele vorm en snoert de eiwitten in blaasjes af.


  • Via blaasjes worden de eiwitten naar hun bestemming gebracht: binnen (zoals lysosomen) of buiten de cel.


  • Voor al deze processen is energie nodig, die wordt geleverd door ATP. ATP wordt in de mitochondriën geproduceerd tijdens de verbranding van glucose.

Volgende les

  • Hoe worden eiwitten getransporteerd door de cel heen?


  • Hoe weet de cel waar een eiwit naartoe moet?


  • Hoe kan een eiwit door het celmembraan heen?


  • Nu: Maken opdrachten 57 t/m 60, 64, 66, 67, 68, 70,72 en 73.


  • Klaar? Lees bladzijde 40 t/m 43!