Samenvatting 4V SE2

Samenvatting toetsstof SE2
4vwo
1 / 30
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4

In deze les zitten 30 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Samenvatting toetsstof SE2
4vwo

Slide 1 - Tekstslide

Marktvorm
  • Een marktvorm is het geheel van omstandigheden waaronder ondernemingen met elkaar concurreren.
  • Kenmerken marktvormen
  1. Aantal aanbieders
  2. Aard van het product (homogene of heterogene producten)
Marktvorm
  • Een marktvorm is het geheel van omstandigheden waaronder ondernemingen met elkaar concurreren.
  • Kenmerken marktvormen

Slide 2 - Tekstslide

Marktvormen

Slide 3 - Tekstslide

Marktvormen:
  1. Monopolie
  2. Volkomen concurrentie
  3. Monopolistische concurrentie
  4. Oligopolie

Slide 4 - Tekstslide

Wat zijn de kenmerken van de marktvorm 'monopolistische concurrentie'?
A
1 aanbieder, homogeen product
B
Weinig aanbieders, heterogeen product
C
Veel aanbieders, heterogeen product
D
Veel aanbieders, homogeen product

Slide 5 - Quizvraag

De markt waarop aandelen Ahold worden verkocht heeft de marktvorm
A
monopolie
B
oligopolie
C
monopolistische concurrentie
D
volledige mededinging

Slide 6 - Quizvraag

De markt waarop consumenten hun auto's kopen heeft de marktvorm
A
monopolie
B
oligopolie
C
monopolistische concurrentie
D
volledige mededinging

Slide 7 - Quizvraag

De markt waarop leidingwater wordt aangeboden heeft de marktvorm
A
monopolie
B
oligopolie
C
monopolistische concurrentie
D
volledige mededinging

Slide 8 - Quizvraag

De kans op een kartel is bij een oligopolistische marktvorm veel groter dan bij volkomen concurrentie.
A
Juist.
B
Onjuist.

Slide 9 - Quizvraag

Opbrengst monopolist
  • Monopolist streeft naar maximale totale winst:  MO = MK
  • Monopolist streeft naar maximale omzet: MO=0
  • Monopolist streeft naar kostendekking: winst = 0, dus TW = TO-TK = 0

Slide 10 - Tekstslide

Markt volledige mededinging
  • De individuele aanbieder heeft geen invloed op de prijs.
  • Zolang er winst gemaakt kan worden, zullen er partijen toetreden. 
  • Het proces van toetreding en prijsdaling stopt als de winst is verdwenen.
  • De situatie die dan ontstaat noemen we bedrijfstakevenwicht. Bij bedrijfstakevenwicht maken de bestaande aanbieders geen winst en is er dus geen reden meer om tot de markt toe te treden. De prijs is gedaald en gelijk aan de gemiddelde totale kosten.

Slide 11 - Tekstslide

Waarde elasticiteit
Of iets (volkomen) prijsinelastisch of prijselastisch is, kun je uitrekenen met de volgende formule:
Prijselasticiteit van de vraag (Ev) =

Slide 12 - Tekstslide

Stel dat de elasticiteit gelijk is aan -0,5.

De prijs stijgt met 5%.

De gevraagde hoeveelheid zal veranderen met: 5% x -0,5 = - 2,5%


Stel dat de elasticiteit gelijk is aan -2.

De gevraagde hoeveelheid is gedaald met -20%.

De prijsstijging is -20% / -2 = 10% geweest

Slide 13 - Tekstslide

Voorbeeld 1
De prijs van een goed daalt met 5%. 
De gevraagde hoeveelheid stijgt met 2%.

Hoe groot is de prijselasticiteit?
.................................................................................................

Slide 14 - Tekstslide

Bij welke marktvorm is de vraag naar goederen vaak elastisch?
A
Volkomen concurrentie
B
Monopolie
C
Oligopolie
D
Monopolistische concurrentie

Slide 15 - Quizvraag

Bij welke marktvorm is de vraag naar goederen inelastisch?
A
Volkomen concurrentie
B
Monopolie
C
Oligopolie
D
Monopolistische concurrentie

Slide 16 - Quizvraag

Externe effecten
Zie fimpje

Slide 17 - Tekstslide

Slide 18 - Video

Consumenten- en productensurplus
Zie filmpje

Slide 19 - Tekstslide

Slide 20 - Video

Minimumprijs
  • Producent beschermen
  • Vraagtekort en aanbodoverschot
  • Overschotten bij bijvoorbeeld boeren

Slide 21 - Tekstslide

Een minimumprijs ligt 
boven de evenwichtsprijs.

Bij een minimumprijs is het 
aanbod groter
dan de vraag, 
zodat er een aanbodoverschot 
ontstaat.  

Dit wordt vaak opgekocht door de overheid.

Slide 22 - Tekstslide

Een minimumprijs ligt 
..............................
de evenwichtsprijs.

Bij een minimumprijs is het 
aanbod groter
dan de vraag, 

zodat er een 
.........................overschot 
ontstaat.  
Dit wordt vaak opgekocht door de overheid.

Slide 23 - Tekstslide

Maximumprijzen
  • De overheid vindt soms de prijs die ontstaat op een markt van vraag en     aanbod te hoog. 
  • Ze kunnen dan ingrijpen door een maximumprijs in te stellen.
  • De producenten mogen hun product of dienst dan niet voor een prijs   boven de maximumprijs aanbieden.
  • Let op: een maximumprijs ligt onder de evenwichtsprijs!
  • Voorbeeld: treinvervoer.

Slide 24 - Tekstslide

Maximumprijs
Bij een maximumprijs ligt de prijs onder de evenwichtsprijs en ontstaat er een vraagoverschot / aanbodtekort.

Slide 25 - Tekstslide

Maximumprijs
  • Consument beschermen
  • Vraagoverschot en aanbodtekort
  • Producten worden schaars

Slide 26 - Tekstslide

Als de overheid een maximumprijs invoert. Komt die maximumprijs dan boven of onder de evenwichtsprijs te liggen?

Slide 27 - Tekstslide

Accijns in Nederland
  • In Nederland betalen we ook veel accijns.
  • De overheid heft accijns om gebruik van bepaalde spullen te ontmoedigen.
  • De overheid heft vooral accijns op dingen die erg ongezond zijn en slecht zijn voor het milieu.

Slide 28 - Tekstslide

Subsidie en accijns
  • Wil je iets stimuleren? -> subsidie
  • Wil je iets afleren? -> accijns 


Slide 29 - Tekstslide

Marketingmix


Slide 30 - Tekstslide