In deze les zitten 32 slides, met interactieve quizzen en tekstslide.
Lesduur is: 45 min
Onderdelen in deze les
Interbellum quiz
Slide 1 - Tekstslide
Wat stond niet in het Verdrag van Versailles
A
Duitsland moet grondgebied afstaan
B
Duitsland krijgt de schuld van WO1
C
Het Duitse leger mag niet meer dan 100.000 hebben
D
De Duitsers moeten grote bedragen aan schadevergoeding betalen
Slide 2 - Quizvraag
Wat is een van de oorzaken van de Beurskrach?
A
Duitsland heeft te grote schulden
B
Amerikanen lenen te veel
C
Amerikanen verkopen hun aandelen niet meer
D
Amerikanen kochten massaal aandelen
Slide 3 - Quizvraag
Hitler wint de verkiezingen van 1933 en is toen Rijkskanselier geworden
A
waar
B
niet waar
Slide 4 - Quizvraag
De Fransen hebben na de Eerste Wereldoorlog een stuk Duitsland bezet
A
waar
B
niet waar
Slide 5 - Quizvraag
De nationaal socialisten vonden het Verdrag van Versailles zeer rechtvaardig voor Duitsland
A
waar
B
niet waar
Slide 6 - Quizvraag
In Duitsland na 1933 was er geen vrijheid van meningsuiting
A
waar
B
niet waar
Slide 7 - Quizvraag
In de jaren '20 kochten Amerikanen aandelen met geleend geld
A
waar
B
niet waar
Slide 8 - Quizvraag
Wanneer is het Interbellum?
A
1914-1918
B
1918-1933
C
1919-1939
D
1940-1945
Slide 9 - Quizvraag
Het Verdrag van Versailles werd in 1918 ondertekend
A
Waar
B
Niet waar
Slide 10 - Quizvraag
In het Verdrag van Versailles werd afgesproken dat
A
Het Duitse leger niet meer dan 50.000 soldaten mocht hebben
B
Duitsland de helft van z'n grondgebied moest afstaan
C
Het Ruhrgebied moest vrij van Duitse soldaten zijn
Slide 11 - Quizvraag
Gelijk na de Eerste Wereldoorlog werd er een nieuwe Duitse regering gevormd. Onder welke naam?
A
Het Duitse Rijk
B
Republiek van Versailles
C
Republiek van Weimar
D
Duitsland
Slide 12 - Quizvraag
Waarom was de Volkenbond niet zo succesvol?
A
De Amerikanen deden niet mee
B
De afspraken in de Bond waren niet duidelijk
C
Er was geen goede vergaderplek
D
De Nederlanders deden niet mee
Slide 13 - Quizvraag
In welk jaar begon de economische crisis?
A
1919
B
1928
C
1929
D
1939
Slide 14 - Quizvraag
Wat was een oorzaak van de ontwikkeling die te zien is in bron 1
A
de afschaffing van de parlementaire democratie in Duitsland
B
de bepalingen van het Verdrag van Versailles
C
de beurskrach op Wallstreet in de Verenigde Staten
D
de oprichting van de Republiek van Weimar
Slide 15 - Quizvraag
Welke van de volgende beweringen is juist? I De NSDAP en Hitler zijn op een democratische manier aan de macht gekomen II In 1934 waren alle Duitse partijen verboden behalve de NSDAP
A
I is juist, II is onjuist
B
I is onjuist, II is juist
C
Beide zijn onjuist
D
Beide zijn juist
Slide 16 - Quizvraag
Waarom leende de VS geld aan Duitsland?
A
De VS wilde een nieuwe oorlog voorkomen
B
Duitsland zou dan producten van de VS kopen
C
Dit was afgesproken in het Verdrag van Versailles
D
De VS kreeg het geld met rente terug en Frankrijk zou producten van de VS kopen
Slide 17 - Quizvraag
Hoe ontstaat er in Duitsland een grote crisis in 1929?
A
Frankrijk koopt geen producten van de VS meer
B
Duitsland weigert de herstelbetalingen te doen
C
De VS wilt het geleende geld terug
Slide 18 - Quizvraag
Wat gebeurt er als geld bijgedrukt wordt?
A
Prijzen dalen
B
Prijzen stijgen
Slide 19 - Quizvraag
Wat gebeurt er als geld bijgedrukt wordt?
A
De waarde van geld daalt
B
De waarde van geld stijgt
Slide 20 - Quizvraag
Welke groep wordt niet aangesproken door de ideeën van de NSDAP?
A
Werklozen
B
Middenstanders
C
Eigenaren grote bedrijven
D
Communisten
Slide 21 - Quizvraag
Wat hoort wel bij Nationaal Socialisme maar niet bij fascisme?
A
Tegen democratie
B
Tegen het communisme
C
Voor geweld
D
Tegen Joden
Slide 22 - Quizvraag
Welke zinnen over het Nederlands interbellum zijn juist? 1 De economische crisis in de VS sloeg over naar Nederland. 2 De radio was tijdens het interbellum het enige medium dat niet verzuild was. 3 De totalitaire partijen in Nederland kregen relatief weinig aanhangers. 4 In 1936 werd Hendrik Colijn minister-president. 5 Tijdens het interbellum hadden de confessionelen een absolute meerderheid.
A
1, 3 en 5
B
1, 3 en 4
C
2, 3 en 5
D
3, 4 en 5
Slide 23 - Quizvraag
Welke gebeurtenis vond plaats tijdens het interbellum?
A
Dawesplan
B
D-day
C
Von Schlieffenplan
D
Val van de muur
Slide 24 - Quizvraag
Welke naamsverandering vond plaats in het Interbellum, kies de juiste volgorde.
A
Keizerrijk-Nazi-Weimar Duitsland
B
Nazi-Weimar-Keizerrijk Duitsland
C
Weimar-Keizerrijk-Nazi
Duitsland
D
Keizerrijk-Weimar-Nazi Duitsland
Slide 25 - Quizvraag
Nederland was in het interbellum een verzuilde samenleving. Welke vier zuilen waren er:
A
Katholieken, protestanten, liberalen en communisten.
B
Katholieken, protestanten, socialisten en liberalen.
C
Protestanten, Katholieken, neutralen en joden.
D
Katholieken en protestanten.
Slide 26 - Quizvraag
Welke staatkundige kaart hoort bij Europa tijdens het Interbellum?
Gebruik de bron
A
kaart 1
B
kaart 2
C
kaart 3
D
kaart 4
Slide 27 - Quizvraag
Lees de zes feiten over de VS in het interbellum. Noteer de cijfers 1 t/m 6 in de juiste tijdsvolgorde.
A. De beurs kan de waardevermindering van de aandelen niet aan en stort in. B. De Amerikaanse industrie produceert heel veel luxegoederen en verkoopt die wereldwijd. C. Als na de WOI de Europese landen weer gaan produceren neemt de winst van Amerikaanse bedrijven af. D. Amerikaanse burgers willen delen in de winst en kopen aandelen. E. Grote bedrijven gaan minder produceren en moeten mensen ontslaan. F. Werkelozen mensen hebben minder geld en willen hun aandelen aan de bank terug verkopen
A
B, D, C, E, F, A
B
C, F, D, B, A, E
C
C, F, B, D, E, A
D
F, D, F, B, E, A
Slide 28 - Quizvraag
Wie was geen dictator in het interbellum?
A
Hitler
B
Mussolini
C
Stalin
D
Idi Amin
Slide 29 - Quizvraag
Door welke twee redenen bleef de NSB tijdens het interbellum een kleine partij in Nederland
A
Mussert niet populair
B
Nederland was verzuild
C
Nederland had sterke premier Colijn
D
Nederlanders wilden geen facisme
Slide 30 - Quizvraag
Hoe noem je politieke reclame?
A
propaganda
B
persoonverheerlijking
C
interbellum
D
totalitairisme
Slide 31 - Quizvraag
Waarom gingen Nederlanders stempelen in het interbellum?
A
Ze gingen stempelen zodat ze een ''inkomen'' kregen.
B
Ze gingen stempelen zodat ze geregistreerd werden als werkeloos.
C
Ze gingen stempelen zodat ze niet gingen zwartwerken.
D
Ze gingen stempelen zodat ze niet de illegaliteit in gingen.