Les van 14 januari

Les van 16 januari
Wat gaan we doen?
- woordenschat bij tekst "De stad van je dromen" ;
- verkleinwoorden;
- vergrootwoorden;
- overbodige bijvoeglijke naamwoorden;
- contaminatie;
- dictee;
- spelling: leenwoorden
- werkwoordvervoeging.
1 / 28
volgende
Slide 1: Tekstslide
Nederlands6th Grade

In deze les zitten 28 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Les van 16 januari
Wat gaan we doen?
- woordenschat bij tekst "De stad van je dromen" ;
- verkleinwoorden;
- vergrootwoorden;
- overbodige bijvoeglijke naamwoorden;
- contaminatie;
- dictee;
- spelling: leenwoorden
- werkwoordvervoeging.

Slide 1 - Tekstslide

Woordenschat
Eerst even oefenen met de woordenschat bij de tekst "De stad van je dromen".

Slide 2 - Tekstslide

Woordenschat
Pak je Taalboekje: Thema 3, "Ik denk". Ga naar blz. 34 en maak oefening 1: "Wat hoort bij elkaar?"

Slide 3 - Tekstslide

Woordenschat
 Ga vervolgens naar blz. 35 en maak oefening 2: "Wat is het woord?"

Slide 4 - Tekstslide

Woordenschat

Zet  bij de volgende zinnen het goede woord achter de zin:

Slide 5 - Tekstslide

Het is niet een beetje modderig, het is één grote blubberzooi......

Kies uit: investeren, ergens een schepje bovenop doen, opperen

Slide 6 - Open vraag

Rafaël gaat heel lief met zijn kleine zusje om

Kies uit: bruut, intact, zachtzinnig

Slide 7 - Open vraag

Woordenschat

Ga nu weer naar blz. 35 van je Taalboekje en maak oefening 3: "Zet het goede woord achter de zin?" verder af

Slide 8 - Tekstslide

Verkleinwoorden
basiswoord                              verkleinwoord
lam                           -->              lammetje
raam                        -->              raampje
tang                         -->              tangetje
ketting                   -->               kettinkje

Het lidwoord bij een verkleinwoord is altijd het
Je verkleint een woord door er een achtervoegsel achter te plakken.

Slide 9 - Tekstslide

Verkleinwoorden

Pak je Taalboekje: Thema 3, "Ik denk". Ga naar blz. 19 en maak oefening 1: "Wat is het verkleinwoord en wat is het basiswoord?"

Slide 10 - Tekstslide

Verkleinwoorden

Maak nu ook oefening 2 op blz. 19: "Wat wordt de zin met verkleinwoorden?"

Slide 11 - Tekstslide

Vergrootwoorden
Met een vergroot woord maak je een basiswoord groter, beter of sterker:
Bijvoorbeeld:
Super -->  superfeest
Loei --> loeihard
Stok --> stokoud
Weet jij er nog meer?

Je vergroot een woord door er een voorvoegsel voor te plakken.

Slide 12 - Tekstslide

Vergrootwoorden

Ga naar blz. 28 uit je taalboek en maak de “eerst probeer” oefening en daarna oefening 2.

Slide 13 - Tekstslide

Overbodige bijvoeglijke naamwoorden
Soms zijn bijvoeglijke naamwoorden overbodig:

Maak van de koude sneeuw een sneeuwbal --> koud is overbodig, want sneeuw is altijd koud

Uit de wond stroomde rood bloed  --> rood is overbodig want bloed is altijd rood

Slide 14 - Tekstslide

Overbodige bijvoeglijke naamwoorden

Ga naar blz. 30 uit je taalboek en maak oefening 1: "Onderstreep het overbodige bijvoeglijke naamwoord".
 

Slide 15 - Tekstslide

Overbodige bijvoeglijke naamwoorden

Maak daarna oefening 2 op blz. 30: "Leg uit waarom het bijvoeglijke naamwoord overbodig is".
 

Slide 16 - Tekstslide

Contaminatie
Contaminatie is een verkeerde samenvoeging van twee woorden met ongeveer dezelfde betekenis.

Bijvoorbeeld:
Ik zal het even opnoteren--> het is opschrijven of noteren
Hij wil iemand voorbij passeren --> het is iemand voorbij gaan of iemand passeren

Slide 17 - Tekstslide

Contaminatie

Ga naar blz. 38 uit je taalboek en maak de “eerst probeer” oefening en daarna oefening 2.

Slide 18 - Tekstslide

Dictee
We gaan nu het dictee voor thema 3 doen. We doen dat zoals we dat altijd doen: ik lees alles eerst voor en jij typt alles en daarna druk je op 'send'

Slide 19 - Tekstslide


Slide 20 - Open vraag

Leenwoorden
Je leert een aantal nieuwe leenwoorden schrijven.

Slide 21 - Tekstslide

Slide 22 - Tekstslide

Werkwoordvervoeging

We gaan nog even oefenen met werkwoordvervoeging.


Vul bij de volgende oefeningen de juiste werkwoordvorm in.

Slide 23 - Tekstslide

........ (houden) elkaar stevig vast

A
Houdt
B
Houd
C
Houw
D
Hou

Slide 24 - Quizvraag

Als je nu goed ________ (luisteren), hoor je precies wat de opdracht is.

Slide 25 - Open vraag

Met deze verf wordt het hout beter ........ (beschermen).
A
beschermt
B
beschermd
C
beschermdt
D
besgermt

Slide 26 - Quizvraag

Hij ________ (schrikken) toen zijn vadder plotseling zijn kamer binnen kwam.

Slide 27 - Open vraag

Wij hebben heerlijk ........ (lunchen) aan het water.
A
gelunched
B
gelunchd
C
geluncht
D
gelunchdt

Slide 28 - Quizvraag