H4 Nederlands P1

H4 Nederlands P1
1 / 249
volgende
Slide 1: Tekstslide
Other languagesSecondary Education

In deze les zitten 249 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

H4 Nederlands P1

Slide 1 - Tekstslide

Deze les 
presentie
inhoud Nederlands H4
inhoud Nederlands P1
woordenschat blok 1

Slide 2 - Tekstslide

Nederlands H4
P1 woordenschat en leesvaardigheid blok 1 en 2 (TW1)
P2 literatuur/literaire begrippen (Laagland deel A) (TW2)
P3 taalverzorging (TW3)
P4 argumentatieve vaardigheden (TW4)
      mondeling taalvaardigheid (literaire competentie)
      hiervoor moet je vier boeken lezen. Hierover snel meer info.
Je krijgt dus in totaal vijf cijfers.

Slide 3 - Tekstslide

presentie
Te laat =  als de deur dicht is. 

Slide 4 - Tekstslide

Meenemen in de les
Boek Op Niveau
Laagland deel A in P2, Laagland deel B H5
schrift

We maken niet vaak gebruik van de laptop, maar het komt wel voor. Ik ga ervan uit dat jullie deze altijd (opgeladen) mee hebben in de les. 


Slide 5 - Tekstslide

Wat als je je spullen niet mee hebt?
Spullen niet mee/huiswerk niet af aantekening in Magister

Het kan voorkomen dat je (een deel van) de les in de ZWR aan het werk gezet wordt met een andere opdracht. 

Slide 6 - Tekstslide

Nederlands P1
Woordenschat en leesvaardigheid blok 1 en 2

Dit is in principe herhaling van jaar 1, 2, 3. We gaan wel veel dieper in op de stof. 


Slide 7 - Tekstslide

Nederlands P1
Woordenschat en leesvaardigheid blok 1 en 2

Voor de toetsweek...
"Leren voor de toets? Het is toch Nederlands, daar heb ik nog nooit voor geleerd en kwam er altijd mee weg."


Slide 8 - Tekstslide

Nederlands P1
Woordenschat en leesvaardigheid blok 1 en 2

Na de toetsweek...
"Ik heb een 4 voor Nederlands, hoe kan dat?"



Slide 9 - Tekstslide

Hoe dan wel?
Opdrachten SERIEUS maken in de les, wat niet af is thuis. 
Opdrachten GOED nakijken en leren van de fouten.
Voor de toetsweek de theorie LEREN
Voor de toetsweek woordenschat leren.

Het is best mogelijk om een mooi cijfer te halen, maar het komt niet vanzelf!

Slide 10 - Tekstslide

antwoorden opdracht 1
opinie: mening
 kwalitatieve: van goede kwaliteit
 in principe: eigenlijk, in beginsel
 wederhoor: commentaar of reactie van de tegenpartij
 beeldmanipulatie: opzettelijk veranderen of bewerken van beelden
 op het verkeerde been zetten: misleiden

Slide 11 - Tekstslide

Slide 12 - Tekstslide

Deze les
aanwezigheid
nakijken opdracht 2
voorstellen boek: wat wij zagen
maken opdracht 3

Slide 13 - Tekstslide

aanwezigheid

Slide 14 - Tekstslide

nakijken opdracht 2.1

Slide 15 - Tekstslide

gedisciplineerd
volgens een strak (tijd)schema werkend

Slide 16 - Tekstslide

energiek
vol energie

Slide 17 - Tekstslide

assertief
zelfverzekerd (je komt voor jezelf op)

Slide 18 - Tekstslide

representatief
geschikt om een bedrijf of instelling te vertegenwoordigen

Slide 19 - Tekstslide

initiatiefrijk
iets nieuws willen ondernemen
(ook het voortouw nemen)

Slide 20 - Tekstslide

emotioneel stabiel
evenwichtig in het omgaan met gevoelens
dus niet ineens huilen of heel boos worden

Slide 21 - Tekstslide

communicatief
gemakkelijk met anderen pratend (af mailen/schrijven)

Slide 22 - Tekstslide

ambitieus
eerzuchtig

Slide 23 - Tekstslide

innovatief
vernieuwend

Slide 24 - Tekstslide

sociaal voelend
begrip en gevoel hebben voor medemensen

Slide 25 - Tekstslide

creatief
in staat zelf iets te bedenken/maken

Slide 26 - Tekstslide

abstract denkend
kunnen denken zonder naar de werkelijkheid te kijken

Slide 27 - Tekstslide

responsabel
verantwoordelijk

Slide 28 - Tekstslide

accuraat
nauwkeurig

Slide 29 - Tekstslide

coöperatief
op samenwerking gericht

Slide 30 - Tekstslide

flexibel
zich makkelijk aanpassen aan een nieuwe situatie

Slide 31 - Tekstslide

2.2
innovatief - conventioneel / traditioneel
accuraat - onnauwkeurig / slordig
assertief - meegaand / terughoudend / passief
abstract denkend - concreet denkend

Slide 32 - Tekstslide

wat wij zagen
  • contentmoderatoren
  • moderators
  • trust & safety medewerkers
  • community reviewers
  • online safety reviewers
  • soms ook meer technisch: content reviewers of content screeners
Hun taak is om berichten, foto’s en video’s te bekijken en te beoordelen of ze voldoen aan de regels van het platform (zoals Facebook, Instagram, TikTok). Ze filteren bijvoorbeeld haatspraak, geweld, seksueel misbruik, nepnieuws of andere verboden inhoud.

Slide 33 - Tekstslide

maken opdracht 3.1
beroepen en omschrijvingen helemaal uitschrijven.

Slide 34 - Tekstslide

Deze les
Nakijken opdracht 3.1
introductie literatuur klas 4
maken huiswerk

Slide 35 - Tekstslide

marketeer
Iemand die zich binnen een bedrijf bezighoudt met marketing

Slide 36 - Tekstslide

systeembeheerder
Iemand die zorgt voor het beheer van een computersysteem tijdens de dagelijkse bezigheden

Slide 37 - Tekstslide

statisticus
Iemand die inzicht probeert te krijgen in maatschappelijke of economische verschijnselen door gebruik te maken van cijfermateriaal

Slide 38 - Tekstslide

scenarioschrijver
schrijver van een draaiboek

Slide 39 - Tekstslide

redacteur
iemand die berichten/teksten verzamelt en bewerkt voor publicatie

Slide 40 - Tekstslide

publicist
iemand die stukken schrijft over actuele onderwerpen

Slide 41 - Tekstslide

taxateur
iemand die waarde van goederen vaststeld

Slide 42 - Tekstslide

laborant
iemand die in een laboratorium werkt

Slide 43 - Tekstslide

interim-manager
iemand die tijdelijk de functie van directeur vervult

Slide 44 - Tekstslide

griffier
secretaris bij bepaalde colleges, zoals de Tweede Kamer (rechtbank ook)

Slide 45 - Tekstslide

accountant
Iemand die boekhoudingen en administraties van bedrijven inricht, bijhoudt en controleert.

Slide 46 - Tekstslide

ergotherapeut
geneeskundige die door spel, arbeid, en oefeningen bepaalde spierfuncties activeert

Slide 47 - Tekstslide

art director
grafisch vormgever bij een reclamebedrijf

Slide 48 - Tekstslide

consulent
deskundige die op een bepaald gebied raad geeft, bijvoorbeeld op het gebied van organisatie of financiën

Slide 49 - Tekstslide

decorateur
iemand die versieringen voor toneel, etalages, enz. ontwerpt

Slide 50 - Tekstslide

anesthesist
specialist die patiënten voor een operatie onder narcose brengt.

Slide 51 - Tekstslide

literatuur H4
Leesautobiografie (alternatief)
4 boeken
daarbij 4 zelfgekozen opdrachten
Padlet

Slide 52 - Tekstslide

4 boeken
Je leest dit jaar vier boeken. Je begint bij het passende niveau. Het is de bedoeling dat je minstens één niveau groeit. Aan de hand van de verwerkingsopdrachten laat je zien dat je de verhalen hebt begrepen en dat je verder kunt naar een hoger niveau. Aan het einde van het jaar presenteer je je Padlet in de klas. Daar krijg je een cijfer voor (mondelinge taalvaardigheid).

Slide 53 - Tekstslide

Niveau
Kijk op lezenvoordelijst.nl welke boeken je mag kiezen.


Slide 54 - Tekstslide

Slide 55 - Link

Tip:
Lees elke periode een boek. Dan kom je aan het einde van het jaar niet in de knel. Vier boeken in een week lezen kan wel, maar doen jullie waarschijnlijk niet. Dan heb je een probleem bij de presentatie. Niet presenteren = niet naar H5

Slide 56 - Tekstslide

Boekentips
Als het even kan elke week een boekentip. Verschillende niveaus

Slide 57 - Tekstslide

Nu: aan het werk met de leesautobiografie

Slide 58 - Tekstslide

Slide 59 - Tekstslide

nakijken leesgeschiedenis
- is het een lopend verhaal?
- is het uitgebreid?

Slide 60 - Tekstslide

Deze les:
Aanwezigheid
Nakijken opdracht 3
Maken opdracht 4 (samen)
Huiswerk is dat wat we niet afkrijgen van opdracht 4.

Slide 61 - Tekstslide

aanwezigheid

Slide 62 - Tekstslide

opdracht 3
a. marketeer: iemand die zich binnen een bedrijf bezig houdt met marketing.

Slide 63 - Tekstslide

opdracht 3
b. systeembeheerder: iemand die zorgt voor het beheer van een computersysteem tijdens de dagelijkse bezigheden.

Slide 64 - Tekstslide

opdracht 3
c. statisticus: iemand die inzicht probeert te verkrijgen in maatschappelijke of economische verschijnselen door gebruik te maken van cijfermateriaal

Slide 65 - Tekstslide

opdracht 3
d. scenarioschrijver: schrijver van een draaiboek

Slide 66 - Tekstslide

opdracht 3
e. redacteur: iemand die teksten of berichten verzamelt en bewerkt voor publicatie

Slide 67 - Tekstslide

opdracht 3
f. publicist: iemand die stukken schrijft over actuele onderwerpen

Slide 68 - Tekstslide

opdracht 3
g. taxateur: iemand die de waarde van goederen vaststelt

Slide 69 - Tekstslide

opdracht 3
h. laborant: iemand die in een laboratorium werkt

Slide 70 - Tekstslide

opdracht 3
i. interim manager: iemand die tijdelijk de functie van manager/directeur vervult

Slide 71 - Tekstslide

opdracht 3
j. griffier: secretaris bij bepaalde colleges, bijvoorbeeld Tweede Kamer (schrijft alles op wat er besproken/besloten wordt).


Slide 72 - Tekstslide

opdracht 3
k. accountant: iemand die de boekhouding van bedrijven en instellingen inricht, bijhoudt en controlleert.


Slide 73 - Tekstslide

opdracht 3
l. ergotherapeut: geneeskundige die door spel, arbeid en beweging spierfuncties activeert.


Slide 74 - Tekstslide

opdracht 3
m. art director: grafisch vormgever bij een reclamebedrijf


Slide 75 - Tekstslide

opdracht 3
n. consulent: deskundige die op een bepaald gebied raad geeft


Slide 76 - Tekstslide

opdracht 3
n. consulent: deskundige die op een bepaald gebied raad geeft


Slide 77 - Tekstslide

opdracht 3
o. decorateur: iemand die versieringen voor toneel, etalages enz. ontwerpt.


Slide 78 - Tekstslide

opdracht 3
p. anesthesist: specialist die patiënten voor een bepaalde operatie onder narcose brengt. 


Slide 79 - Tekstslide

opdracht 4
abusievelijk - bij vergissing
anderszins - op een andere manier
krachtens - op basis van/op grond van
offreren - aanbieden
genoegzaam - genoeg
bijgevolg - dus
restitutie - teruggave

Slide 80 - Tekstslide

bordjes
bordje, stift en wisser netjes terug! kapot = nieuw kopen.

Slide 81 - Tekstslide

wat gaan we doen
aanwezigheid
nakijken eerste deel van opdracht 1 (startopdracht)
hoe werkt het boek?
verder werken aan de startopdrachten

Slide 82 - Tekstslide

aanwezigheid

Slide 83 - Tekstslide

nakijken opdracht 1

Slide 84 - Tekstslide

het boek
theorie na elk hoofdstuk

Zoek achterin het boek bij het register op de juiste begrippen.

Dus niet gokken, maar kijken in de theorie.


Slide 85 - Tekstslide

maken
Startopdracht 1 en 2
Huiswerk voor de volgende les

Slide 86 - Tekstslide

Slide 87 - Tekstslide

Deze les
padlet aanmaken
boek voorstellen - de geschiedenis van mijn seksualiteit
lezen voor de lijst
niveautest lezen voor de lijst
begin maken leesautobiografie

Slide 88 - Tekstslide

aanwezigheid

Slide 89 - Tekstslide

padlet aanmaken
Gebruik je leerlinggegevens! Wachtwoord en e-mailadres. Zo vergeet je je codes niet en heb jij altijd toegang tot je Padlet

ga naar: padlet.com

Slide 90 - Tekstslide

Slide 91 - Tekstslide

Het boek is autobiografisch, makkelijk te lezen en leert je iets over de leefwereld van een ander. Het is niveau 3. Velen van jullie kunnen dit zeker wel aan, maar als je het lezen van literatuur lastig vindt, dan is dit boek misschien (nog) niks voor jou. 

Slide 92 - Tekstslide

Slide 93 - Link

test niveau

Slide 94 - Tekstslide

begin maken leesautobiografie
inleveren op 7 oktober (de datum is aangepast)

Slide 95 - Tekstslide

Slide 96 - Tekstslide

deze les
aanwezigheid
nakijken opdracht 1
maken opdracht 2/3

Slide 97 - Tekstslide

startopdracht 1
1 Door herhaling van woorden en woordgroepen en door overgangszinnen met een verwijzend woord te gebruiken.
2 a maar (tegenstellend), en, ook (opsommend)
 b én (opsommend), Als (voorwaardelijk), wanneer (chronologisch)
 c om te (doel-middel), omdat (reden)
 d eerst, daarna (chronologisch)
 e zo (toelichtend), als gevolg daarvan (oorzakelijk), Toch (tegenstellend)

Slide 98 - Tekstslide

startopdracht 1
3 Drie van de volgende functies:
 onderwerp introduceren, aankondigen hoe de tekst is opgebouwd, aanleiding noemen, lezer (of luisteraar) welwillend stemmen, iets constateren
4 a retorische vraag
 b uitdagende openingszin
 c stelling, gevolgd door een vraag
 d voorbeelden
5 a oproep (of: conclusie)
 b samenvatting
 c afweging, aanbeveling (of: toekomstverwachting)

Slide 99 - Tekstslide

startopdracht 1
6 a aanbeveling
 b conclusie
 c afweging
7 Vijf van de volgende:
 aanleiding, stelling (of: bewering), vraagstelling, constatering, hypothese (of: vermoeden), begripsomschrijving (of: definitie), conclusie, samenvatting, probleemstelling (of: gevolgtrekking), oproep

Slide 100 - Tekstslide

startopdracht 1
6 a aanbeveling
 b conclusie
 c afweging
7 Vijf van de volgende:
 aanleiding, stelling (of: bewering), vraagstelling, constatering, hypothese (of: vermoeden), begripsomschrijving (of: definitie), conclusie, samenvatting, probleemstelling (of: gevolgtrekking), oproep

Slide 101 - Tekstslide

startopdracht 2
1 tekst 1: amuserende tekst; tekst 2: uiteenzetting

2a overtuigende tekst (ook goed: activerende tekst)
b beschouwende tekst (of: beschouwing)
c uiteenzetting of informerende tekst
d activerende tekst

Slide 102 - Tekstslide

startopdracht 2
3 1, 2 en 3
4 ‘Door boeken … de leervaardigheid.’ (regel 8-10)
5 Tijd om je aandacht ergens op te kunnen richten. / Tijd dat je je kunt concentreren.

Slide 103 - Tekstslide

startopdracht 2
6a C
6b De schrijver, Jan Paul Schutten is kinderboekenambassadeur. Hij vertelt enthousiast over de voordelen die het lezen volgens hem heeft en geeft ook adviezen aan ouders.
7 D
8 B
9 betoog (ook goed: activerende tekst)

Slide 104 - Tekstslide

startopdracht 2
10 de ouders; zie alinea 1 en 6 (niet goed: lezers van NRC Handelsblad)
11 ingezonden brieven

Slide 105 - Tekstslide

Vandaag
Aanwezigheid
Opdracht 4 nakijken
Plusopdracht 5 maken

Slide 106 - Tekstslide

aanwezigheid

Slide 107 - Tekstslide

Opdracht 4
Vraag 1
a. zonder naam
b. helemaal hetzelfde
c. van twee culturen
d. aanzienlijk, groot

Slide 108 - Tekstslide

Opdracht 4
Vraag 2
anoniem solliciteren


Slide 109 - Tekstslide

Opdracht 4
vraag 4
Bijvoorbeeld: Als het aantal werknemers met een biculturele achtergrond in het middensegment substantieel toeneemt. (13 woorden)






Slide 110 - Tekstslide

Opdracht 4
vraag 5
Met vier argumenten


Slide 111 - Tekstslide

Opdracht 4
vraag 6
De premier is volgens de wethouder bang voor de populistische politiek.

Wat is populisme?



Slide 112 - Tekstslide

Opdracht 4

Wat is populisme?

Populisten zetten zich af tegen de – in hun ogen – corrupte elite en claimen vertegenwoordigers te zijn van het pure volk.



Slide 113 - Tekstslide

Opdracht 4

vraag 7
informeren: het is een krantenbericht naar aanleiding van de proef die gestart is. De auteur doet verslag van zijn interview met wethouder Rabin Baldewsingh; hij geeft geen eigen mening.





Slide 114 - Tekstslide

Opdracht 4
vraag 8
In werkelijkheid noemen mensen snel de nationaliteit van allochtonen (of: plakken ze een etiket op). Mensen worden in hokjes gestopt.


Slide 115 - Tekstslide

Opdracht 4
vraag 9
a: D
b: De auteur informeert de lezers van zijn tekst (die in Trouw is gepubliceerd). Hij spreekt niet één bepaalde groep aan.




Slide 116 - Tekstslide

Opdracht 4
vraag 10
Bijvoorbeeld: een ingezonden brief / een opiniestuk / een achtergrondartikel in een krant of tijdschrift / een gesprek bij De Wereld Draait Door / een interview bij Nieuwsuur, enzovoort.





Slide 117 - Tekstslide

Opdracht 4
vraag 10
tekstvormen
Bijvoorbeeld: een ingezonden brief / een opiniestuk / een achtergrondartikel in een krant of tijdschrift / een gesprek bij De Wereld Draait Door / een interview bij Nieuwsuur, enzovoort.





Slide 118 - Tekstslide

Opdracht 4
vraag 10a
tekstvormen
Bijvoorbeeld: een ingezonden brief / een opiniestuk / een achtergrondartikel in een krant of tijdschrift / een gesprek bij De Wereld Draait Door / een interview bij Nieuwsuur, enzovoort.





Slide 119 - Tekstslide

Opdracht 4
vraag 10b
Waarom lijkt je een tekst effectief? Leg uit!







Slide 120 - Tekstslide

Opdracht 4
vraag 11
Beide teksten gaan over anoniem solliciteren / over mensen die moeilijk aan werk komen.

Slide 121 - Tekstslide

Opdracht 4
vraag 12
Bijvoorbeeld: Tekst 5 gaat over (anoniem solliciteren van) mensen met een biculturele achtergrond (of allochtonen); tekst 6 gaat over (anoniem solliciteren van) ouderen.


Slide 122 - Tekstslide

Opdracht 4
vraag 13
ingezonden brieven


Slide 123 - Tekstslide

Opdracht 4
vraag 14
 a Tekst 5 is zakelijk geschreven: de mening van de auteur journalist! komt niet naar voren. Tekst 6 is persoonlijker geformuleerd, in de ik-vorm, en de mening van de schrijver is ook herkenbaar in de woordkeus (‘nog lastiger’, regel 6, ‘niet zo krampachtig’, regel 13).
 b Tekst 5 is een verslag van een interview (informerend); tekst 6 is een ingezonden brief (opiniërend, overtuigend).





Slide 124 - Tekstslide

Plusopdracht 5
Titel: maakt lezer nieuwsgierig, geeft hints over de inhoud van de tekst. Dit kan het onderwerp of de hoofdgedachte zijn.

Tussenkopjes duiden beknopt de deelonderwerpen aan. 

Slide 125 - Tekstslide

Plusopdracht 6
Huiswerk voor de volgende les. 

Slide 126 - Tekstslide

Slide 127 - Tekstslide

Deze les
aanwezigheid
nakijken plusopdracht 
woordenschat blok 2

Slide 128 - Tekstslide

Deze les
aanwezigheid


Slide 129 - Tekstslide

Deze les
nakijken plusopdracht 
klassikaal
verbeter de antwoorden!
kijk je werk kritisch na.



Slide 130 - Tekstslide

vraag 1
a meeleven (met andere mensen)
 b vijandigheid (daarbij het menselijke niet meer zien van elkaar)
 c ondersteunen
 d groter wordende, groeiende
 e het verdwijnen van de nationale grenzen (dus minder op het land gericht, meer op de wereld).

Slide 131 - Tekstslide

vraag 2
Tussenkopje 1: Experimenten
 Tussenkopje 2: Resultaat
 Tussenkopje 3: Cirkel van empathie breidt zich uit
 Tussenkopje 4: Kenmerken van empathie

Slide 132 - Tekstslide

vraag 3
Bijvoorbeeld: Sympathiseren kun je leren: het recept voor wereldvrede? (oorspronkelijke titel)

Slide 133 - Tekstslide

vraag 4
Elsevier is een wekelijks verschijnend opinieweekblad dat zich richt op hoger opgeleide lezers. In ‘Over Elsevier’ (www.elsevier.nl/over-elsevier) staat:
 ‘Elsevier is een opinieblad dat orde wil scheppen in de informatiechaos. En dat vooral met betrekking tot de interessevelden economie, politiek, financiën, wetenschap en cultuur. Daarbinnen wordt geselecteerd op relevantie voor de lezers. Elsevier levert een bijdrage aan opinievorming en discussie over actuele onderwerpen.’

Slide 134 - Tekstslide

vraag 5
 a uiteenzetten 
 b De auteur geeft informatie over het ontstaan van empathie en legt uit hoe de experimenten uitgevoerd werden.

Slide 135 - Tekstslide

vraag 6
C is goed: de andere opties geven alleen een deel van de tekst weer.

Slide 136 - Tekstslide

vraag 7
Oorzaken (drie punten):
 – onderwijs werd gemeengoed (waardoor de kennis over en begrip voor andere volkeren en culturen toenam);
 – mondialisering;
 – reislust.

Slide 137 - Tekstslide

vraag 8
Het boek The Better Angels of Our Nature is verschenen in 2011. Dat is best lang geleden. Je kunt je afvragen of de bewering nog wel actueel is. Er zijn inmiddels heel wat nieuwe oorlogsgebieden.

Slide 138 - Tekstslide

vraag 9
Het lezen van fictie vergroot het inlevingsvermogen. Zie de kenmerken van empathie onder de tekst.

Slide 139 - Tekstslide

vraag 10
In tekst 7 wordt uitgelegd hoe empathie een vreedzamere samenleving kan creëren; in tekst 8 wordt duidelijk dat empathie kan leiden tot nieuwe uitvindingen.

Slide 140 - Tekstslide

vraag 11
 a Tekst 7.
 b In tekst 7 wordt meer uitgelegd en verklaard; dit is kenmerkend voor een uiteenzetting.

Slide 141 - Tekstslide

vraag 12
Bijvoorbeeld: De conclusie is te algemeen: nieuwe ontwikkelingen ontstaan niet alleen uit empathie, ook uit commerciële overwegingen, omdat er nieuwe materialen samengesteld kunnen worden, enzovoort..

Slide 142 - Tekstslide

opdracht 1 blz. 86

Slide 143 - Tekstslide

opdracht 2 blz. 87

Slide 144 - Tekstslide

Slide 145 - Tekstslide

vandaag
aanwezigheid
wat te leren voor TW1?
nakijken opdracht 2 
maken opdracht 3 en 4

Slide 146 - Tekstslide

vandaag
aanwezigheid
wat te leren voor TW1?
nakijken opdracht 2 
maken opdracht 3 en 4

Slide 147 - Tekstslide

aanwezigheid

Slide 148 - Tekstslide

TW1
leren:
woordenschat blok 1 en 2 (de lijsten vind je ook in StudyGo)
Lezen blok 1 en 2: blz. 53-59 en blz. 131-149

Begin op tijd met leren, het is meer dan je denkt en je hebt meer vakken waar je tijd aan moet besteden. Even doorkijken is niet voldoende.

Slide 149 - Tekstslide

opdracht 2
https://studygo.com/nl/learn/exercise/292266203

Slide 150 - Tekstslide

opdracht 3 en 4
huiswerk voor morgen

Slide 151 - Tekstslide

Slide 152 - Tekstslide

vandaag
aanwezigheid
krant en comic
nakijken opdracht 3 en 4
startopdracht 1
startopdracht 2

Slide 153 - Tekstslide

comic

Slide 154 - Tekstslide

deze les
nakijken 
verder werken
literatuur

Slide 155 - Tekstslide

opdracht 2
1a. volgens het (kritische) verstand
b. Je voelt iets aan, zonder er bewust over na te denken
c.  Wat te maken heeft met hoe het hoort.
2 Twee manieren:
– directe vragen stellen
– voorbeelden geven
3a Waarom
b redengevend
4 constatering
5 tussen 2 en 3: Maar – tegenstellend
tussen 3 en 4: dus – concluderend
tussen 5 en 6: Want – redengevend
tussen 6 en 7: nog – opsommend

 

Slide 156 - Tekstslide

tekststructuren

Een tekststructuur is de manier waarop informatie in een tekst is opgebouwd.
Veelvoorkomende tekststructuren
Opsomming → feiten of voorbeelden achter elkaar
Tijd/chronologisch → gebeurtenissen op volgorde van tijd
Tegenstelling → verschillen worden benadrukt
Uitleg/verklaring → hoe iets werkt of waarom iets zo is
Probleem-oplossing → probleem wordt beschreven, daarna oplossingen
Oorzaak-gevolg → oorzaak en gevolgen worden besproken

 

Slide 157 - Tekstslide

hoofdstuk 2 opdracht 2
6 theorie
7 Twee manieren:
– door een overgangszin met een verwijzend woord (‘Dit’)
– met signaalwoorden (niet alleen ... maar ook: opsommend)
8 uitwerking
9 Bijvoorbeeld:
Intuïtie (of: magisch denken) wordt niet altijd gecorrigeerd door rationeel denken, maar er is nog veel onduidelijk over de samenwerking tussen de twee systemen. (21 woorden)
10 C
11 In de tekst wordt een verklaring gegeven van het feit dat mensen soms magisch denken.


Slide 158 - Tekstslide

opdracht 3
Vraag 1
het Nederlands van een bepaalde bevolkingsgroep

Slide 159 - Tekstslide

opdracht 3
Vraag 2
Geeft voorbeelden van etnolect
'de bonnetje'
'die feest'

Slide 160 - Tekstslide

opdracht 3
Vraag 3
 a definitie (of: begripsomschrijving) 'wat is etnolect?'
 b aanleiding (tot het schrijven) (namelijk het boek dat uitgekomen is)


Slide 161 - Tekstslide

opdracht 3
Vraag 4
met een overgangszin (met het verwijzend woord ‘zulk’)

Welke overgangsmanieren ken je nog?




Slide 162 - Tekstslide

opdracht 3
Welke overgangsmanieren ken je nog?
Theorie [32]
  • herhaling van woorden/woordgroepen
  • signaalwoorden
  • signaalzinnen
  • overgangszinnen met een verwijzend woord






Slide 163 - Tekstslide

opdracht 3
Vraag 5
een aankondigende signaalzin
: kondigt aan




Slide 164 - Tekstslide

opdracht 3
Vraag 6
Omdat het Joods-Amsterdams veel aandacht krijgt in het besproken boek.





Slide 165 - Tekstslide

opdracht 3
Vraag 7
door woorden te herhalen
onderzoekers/onderzochten





Slide 166 - Tekstslide

opdracht 3
Vraag 8
Alinea 6 wordt verbonden door een overgangszin (met het verwijzende woord ‘dat’; alinea 7 door het signaalwoord ‘dus’.





Slide 167 - Tekstslide

opdracht 3
Vraag 9
Een register is een spreekstijl die je gebruikt in een bepaalde situatie.







Slide 168 - Tekstslide

opdracht 3
Vraag 10
Daarmee bedoelt hij dat de ene groep leeftijdsgenoten een manier van praten overneemt van een andere groep.







Slide 169 - Tekstslide

opdracht 3
Vraag 11
a toelichtend verband
b oorzakelijk verband








Slide 170 - Tekstslide

opdracht 3
Vraag 12
a C
b De schrijver bespreekt het verschijnsel ‘etnolect’ aan de hand van het pas verschenen boekje Wijdvertakte wortels: Over etnolectisch Nederlands. De auteur heeft als voornaamste doel de lezers te informeren.









Slide 171 - Tekstslide

Nu
Maak opdracht 4 blz. 95-97
Ben je eerder klaar? Dan mag je verder werken aan je leesbiografie

Slide 172 - Tekstslide

opdracht 4
1 bewering: mening, stelling
2 conclusie: eindoordeel, gevolgtrekking
3 definitie: begripsomschrijving, woordverklaring
4 veronderstelling: aanname, hypothese
5 constatering: vaststelling, waarneming

Slide 173 - Tekstslide

opdracht 4
6 aanbeveling: advies, raad
7 impliciete: inbegrepen, onuitgesproken
8 expliciet: uitdrukkelijk, duidelijk
9 essentiële: belangrijke, wezenlijke
10 plausibel: aannemelijk, aanvaardbaar
11 etiquette: beleefdheidsregels, omgangsvormen

Slide 174 - Tekstslide

opdracht 4
12 conventies: opbouwregels, vormgevingsprincipes
13 strategie: aanpak, denkstappen
14 criteria: beoordelingspunten, eisen

Slide 175 - Tekstslide

startopdracht 1
Maak deze opdracht met behulp van de theorie! Ken je een begrip niet, zoek je deze op met het register. 

Liever één opdracht goed maken dan meerdere opdrachten snel/slordig/niet compleet.


Slide 176 - Tekstslide

startopdracht 1
Maak deze opdracht met behulp van de theorie! Ken je een begrip niet, zoek je deze op met het register. 

Liever één opdracht goed maken dan meerdere opdrachten snel/slordig/niet compleet.

Huiswerk:


Slide 177 - Tekstslide

startopdracht 1


Huiswerk: afhankelijk van de snelheid waarin jullie werken. 

Veel kletsen/slordig werken = meer huiswerk.


Slide 178 - Tekstslide

Slide 179 - Tekstslide

vandaag
Aanwezigheid
Wat wij zagen
nakijken opdracht 1
maken opdracht 2

Slide 180 - Tekstslide

advertorial
Een advertentie die is geschreven in de vorm van een redactioneel artikel of nieuwsbericht.

Slide 181 - Tekstslide

anekdote
Kort, grappig verhaal waarin gebeurtenis of belevenis wordt verteld

Slide 182 - Tekstslide

cartoon
Een humoristische tekening over een actuele gebeurtenis.

Slide 183 - Tekstslide

column
Een geregeld verschijnende bijdrage waarin de schrijver op een heel persoonlijke (vaak humoristische) manier over allerlei onderwerpen schrijft.

Slide 184 - Tekstslide

deadline
Tijdstip waarop een artikel, een pagina of krant persklaar moet zijn. 

Deadline 9 oktober.

Slide 185 - Tekstslide

essay
Een beschouwende prozatekst of een artikel voor een krant of tijdschrift waarin de schrijver zijn persoonlijke visie geeft op hedendaagse problemen/ontwikkelingen.

Slide 186 - Tekstslide

hoor en wederhoor
Als een journalist of een bron kritiek levert op iemand, moet de persoon over wie het gaat ook gehoord worden. Dit is een journalistieke norm en het belangrijkste middel voor een medium in zijn streven om objectief te zijn.

Slide 187 - Tekstslide

infographic
Informatieve illustratie, bijvoorbeeld beeldgrafiek, waarin beeld en tekst één geheel vormen

Slide 188 - Tekstslide

infotainment
Journalistieke formule waarbij min of meer serieuze informatie toegankelijk wordt gemaakt

Slide 189 - Tekstslide

katern
WEkelijkse bijlage in het weekend of op andere dagen van de week zoals 'Boeken' in Trouw.

Slide 190 - Tekstslide

lead
De samenvattende eerste alinea, soms in iets grotere vettere letter gedrukt. 

Slide 191 - Tekstslide

mediageniek
Bij uitstek goed overkomend op televisie of op andere media.

Slide 192 - Tekstslide

mediawijsheid
Het vermogen om door het inzetten van media goede informatie te verwerven, problemen zelfstandig op te lossen of nieuwe creatieve toepassingen te ontwikkelen

Slide 193 - Tekstslide

recensie
Beoordeling, kritische bespreking van een werk van literatuur, kunst of wetenschap in een dagblad of tijdschrift. 

Slide 194 - Tekstslide

reportage
Een langer krantenartikel die is geschreven in de vorm van een redactioneel artikel of nieuwsbericht

Slide 195 - Tekstslide

rubriek
Afdeling van een krant gewijd aan een bepaald onderwerp, bijvoorbeeld 'Economie'.

Slide 196 - Tekstslide

weblog
Online logboek (blog) waarop iemand regelmatig teksten schrijft over wat hij/zij heeft meegemaakt. 
De schriftelijke versie van de vlog.

Slide 197 - Tekstslide

Aanwezigheid

Slide 198 - Tekstslide

Wat wij zagen

Niveau 2 (staat niet op de lijst, maar je mag het er wel op zetten)

Slide 199 - Tekstslide

opdracht 1 nakijken

Slide 200 - Tekstslide

opdracht 2 maken
Vraag 12 niet

Klaar? leren woordjes op StudyGo

Slide 201 - Tekstslide

Slide 202 - Tekstslide

vandaag
aanwezigheid
verbanden in de tekst
nakijken opdracht 2
maken opdracht 4

Slide 203 - Tekstslide

aanwezigheid

Slide 204 - Tekstslide

tekstverbanden
Met tekstverbanden bedoelen we de relaties tussen verschillende delen van een tekst (bv. alinea’s of zinnen). Meestal hebben dit soort tekstdelen namelijk aparte functies.

Slide 205 - Tekstslide

tekstverbanden
verbanden bestaan tussen verschillende zinsdelen, lossen zinnen en tekstdelen. 

Slide 206 - Tekstslide

tekstverbanden
pak je laptop!

Slide 207 - Tekstslide

nakijken opdracht 2
1a.volgens het (kritische) verstand
1b.Je voelt iets aan, zonder er bewust over na te denken.
1c.Wat te maken heeft met hoe het hoort. 
2 Twee manieren:
– directe vragen stellen
– voorbeelden geven 
3a Waarom 
b redengevend 
4 constatering 


– door een overgangszin met een verwijzend woord (‘Dit’)
– met signaalwoorden (niet alleen ... maar ook: opsommend) 1
8 uitwerking 1
9 Bijvoorbeeld:
Intuïtie (of: magisch denken) wordt niet altijd gecorrigeerd door rationeel denken, maar er is nog veel onduidelijk over de samenwerking tussen de twee systemen. (21 woorden) 2 (twee elementen: per element 1 punt)
10 C 1
11 In de tekst wordt een verklaring gegeven van het feit dat mensen soms magisch denken. 2

Slide 208 - Tekstslide

nakijken opdracht 2
5 tussen 2 en 3: Maar – tegenstellend
tussen 3 en 4: dus – concluderend
tussen 5 en 6: Want – redengevend
tussen 6 en 7: nog – opsommend 2 (per fout ½ punt aftrekken)

6 theorie

7 Twee manieren:
– door een overgangszin met een verwijzend woord (‘Dit’)
– met signaalwoorden (niet alleen ... maar ook: opsommend) 1



Slide 209 - Tekstslide

nakijken opdracht 2
8 uitwerking 

9 Bijvoorbeeld:
Intuïtie (of: magisch denken) wordt niet altijd gecorrigeerd door rationeel denken, maar er is nog veel onduidelijk over de samenwerking tussen de twee systemen. (21 woorden) 2 (twee elementen: per element 1 punt)

10 C 

11 In de tekst wordt een verklaring gegeven van het feit dat mensen soms magisch denken. 2

Slide 210 - Tekstslide

maken
Opdracht 4 blz. 95-97

Gebruik de theorie [32-46]

Slide 211 - Tekstslide

Slide 212 - Tekstslide

vandaag
aanwezigheid
lezenvoordelijst.nl
nakijken opdracht 4
maken: plusopdracht 6

Slide 213 - Tekstslide

aanwezigheid

Slide 214 - Tekstslide

Slide 215 - Tekstslide

opdracht 4
1 De schrijver begint met een verrassende, uitdagende uitspraak.
2 redengevend, zie: ‘Om die reden’ (regel9)
3 aankondigend
4 a ‘Een paar jaar later’ (regel 21), ‘In 1994’ (regel 24)
 b een chronologisch verband
5 tegenstellend (‘echter’)
6 a Dat er steeds minder papieren media overleven.
 b Dat komt door de opkomst van internet.
7 a A
 b Met zijn verhaal ondersteunt de schrijver zijn opvatting dat het met het verdwijnen van papier nog niet zo’n vaart zal lopen.

Slide 216 - Tekstslide

opdracht 4
8 a conclusie
 b Daarom (zeg ik)
9 Er zijn nog steeds goede vooruitzichten voor het lezen van papier, maar het wordt wel wat luxer. (16 woorden)
 Let bij het formuleren van de hoofdgedachte vooral op de titel, de inleiding en het slot.
10 a A
 b De schrijver maakt zijn opvatting over het lezen van papier (zie
  hoofdgedachte) duidelijk aan de hand van zijn eigen ervaringen. Hij wil de lezer overtuigen.

Slide 217 - Tekstslide

plusopdracht 6
huiswerk voor de volgende les
vraag 10 hoeft niet!

Slide 218 - Tekstslide

opdracht 6
1 a – solitaire (regel 52): alleen, eenzaam levend
  – data driven conservations (regel 65-66): gesprekken die worden gevoerd naar aanleiding van nieuwsberichten
  – statement (regel 101): verklaring, uitspraak
  – performance (regel 155): theatrale voorstelling
 b Ze baseert zich vooral op het werk van de Amerikaanse hoogleraar Sherry Turkle.
 c expliciet ↔ impliciet: nadrukkelijk, duidelijk ↔ inbegrepen, als iets zo is maar niet gezegd wordt.
 d Bijvoorbeeld:
  – Wil je de gemaakte afspraken expliciet in het verslag vermelden, zodat er geen misverstanden ontstaan?
  – Door extra aardig te zijn geef je impliciet toe dat je daarnet onaardig was.

Slide 219 - Tekstslide

opdracht 6
alinea 1 vraagstelling
alinea 2 voorbeelden
alinea 3 aanleiding / probleemstelling (beide functies zijn goed)
alinea 4 uitwerking
alinea 5 aanbeveling

Slide 220 - Tekstslide

opdracht 6
3 a Drie bronnen: het boek Reclaiming Conversation, The Power of Talk in a Digital Age, van Sherry Turkle; bespreking van dit boek in de New York Times van Jonathan Franzen; Wicher Schols, coach bij GetNaked, die conversatieles geeft.
b Om de informatie die ze geeft (schrijfdoel) van verschillende kanten te belichten.

Slide 221 - Tekstslide

opdracht 6
4 Bijvoorbeeld:
Door het voeren van gesprekken leren we anderen te begrijpen.

Slide 222 - Tekstslide

opdracht 6
5 Bijvoorbeeld:
Probleemstelling:
Wij voeren steeds minder gesprekken met elkaar.
Hoofdoorzaak:
Dat komt door de voortdurende aanwezigheid van mobiele technologie.
Oplossingen:
1. Creëer plekken en momenten waar mobiele technologie niet welkom is.
2. Overwin het gevoel van ongemak en ga het gesprek aan.
N.B: Controleer of je antwoord bestaat uit volledige zinnen.

Slide 223 - Tekstslide

opdracht 6
6 a-b Vooral motiverend, want je weet niet precies wat de schrijver met die titel bedoelt en dat maakt je nieuwsgierig naar de tekst.

Slide 224 - Tekstslide

opdracht 6
7 verslag (van onderzoek)

Slide 225 - Tekstslide

opdracht 6
8 Beide teksten wijzen erop dat de communicatie steeds meer via mobiele technologie verloopt.

Slide 226 - Tekstslide

opdracht 6
9 a-b Nee, want volgens tekst 7 zijn veel jongeren verslaafd aan hun mobieltje. Dan helpt het advies om je mobieltje weg te leggen en het gesprek aan te gaan niet.

Slide 227 - Tekstslide

opdracht 6
10 b Drie van de volgende bronnen: eigen redactie, persbureaus ANP en Novum, nieuwsberichten (en foto’s) van lezers.
c Bijvoorbeeld:
Niet alle berichten zullen betrouwbaar zijn. Lezers, bijvoorbeeld, kunnen ‘informatie’ verzinnen of overdrijven. Zie ook de rubriek ‘Achterklap’.

Slide 228 - Tekstslide

memory maken (functies)
blz. 147-149
groepjes van 4-5
verdeel elk A4'tje in 8 kaartjes
schrijf duidelijk

Slide 229 - Tekstslide

oefentoets

Slide 230 - Tekstslide

oefentoets vraag 1
Beoordelen van een tekst. (is de tekst goed geschreven)
- verbanden tussen de tekstdelen
    - hoe zijn de tekstdelen met elkaar verbonden?
- structuur van de tekst helder
    - hoofdstructuur: inleiding, kern, slot
    - opbouw van een gekozen structuur: bijvoorbeeld voor- en nadelenstructuur

Slide 231 - Tekstslide

oefentoets vraag 2
oriënterend lezen

Slide 232 - Tekstslide

oefentoets vraag 3
a De handleiding bij deze smartphone is zo onduidelijk geschreven dat ik lang
  niet alle functies kan bedienen. waarderend/feitelijk
 b Op deze doorgaande weg zijn drie rotondes en een flessenhals aangelegd
  om ervoor te zorgen dat er minder ongelukken gebeuren. waarderend/feitelijk
 c 60 procent van de Nederlanders weet nog niet wat ze zullen stemmen bij de
  verkiezingen van de Tweede Kamer. waarderend/feitelijk

Wanneer feitelijk/waarderend?

Slide 233 - Tekstslide

oefentoets vraag 4
zelfsabotage
Jezelf in de weg zitten/tegenwerken

regie
de leiding

Slide 234 - Tekstslide

oefentoets vraag 5
Functies van de titel:
- duidelijk maken waar de tekst over gaat
- motiveren om verder te lezen

Wat houdt je tegen?

Slide 235 - Tekstslide

oefentoets vraag 6
Alinea 1

Slide 236 - Tekstslide

oefentoets vraag 6
In alinea 1 wordt het onderwerp geïntroduceerd aan de hand van een persoonlijk voorbeeld (de auteur die niet gaat hardlopen).

Slide 237 - Tekstslide

oefentoets vraag 7
“Dit ontwijkende gedrag, ook wel zelfsabotage genoemd, [...] zal voor velen herkenbaar zijn.”

Slide 238 - Tekstslide

oefentoets vraag 7
“Volgens Vonk is vermijdingsgedrag bij uitstek zelfversterkend.”

Slide 239 - Tekstslide

oefentoets vraag 8
Een plan waarbij je van tevoren vastlegt wat je gaat doen in een bepaalde situatie: als dit gebeurt, dan doe ik dat. Zo maak je het makkelijker om gewenst gedrag uit te voeren.

Slide 240 - Tekstslide

oefentoets vraag 9
9a. Schrijfdoel van de auteur:
Informeren en adviseren (de lezer uitleg geven over zelfsabotage en tips bieden om dit te voorkomen).

9b. Toelichting:
De auteur legt uit wat zelfsabotage is en hoe je ermee kunt omgaan. Ze geeft adviezen en voorbeelden uit onderzoek en interviews.

Slide 241 - Tekstslide

oefentoets vraag 10
C  Zelfsabotage komt veel voor, maar je kunt je ertegen verzetten door jezelf te trainen.

Slide 242 - Tekstslide

oefentoets vraag 11
De schrijver sluit af met een persoonlijk voornemen; dit vormt een terugkoppeling naar de inleiding (de hardloopschoenen). Het geeft de tekst een afgeronde, herkenbare afsluiting.

Slide 243 - Tekstslide

oefentoets vraag 12
 Probleem–oplossingstructuur (zelfsabotage → hoe voorkom je dat?)
 Uitlegstructuur (verklaringen en adviezen worden gegeven)

Slide 244 - Tekstslide

oefentoets vraag 13
Oorzakelijk verband: in 8 wordt uitgelegd waarom we soms niet doen wat we willen (de oorzaak van het gedrag uit 7).

Slide 245 - Tekstslide

oefentoets vraag 14
 tijd (eerst dit, dan dat)
tegenstellend (toch besluit ik om niet te gaan rennen),
Oorzakelijk (door mijn gebrek aan beweging voel ik me lui).

Slide 246 - Tekstslide

oefentoets vraag 15
Oorzakelijk verband: doordat je gedrag vermijdt, wordt het juist moeilijker om ermee te stoppen (oorzaak → gevolg).

Slide 247 - Tekstslide

oefentoets vraag 15
Oorzakelijk verband: doordat je gedrag vermijdt, wordt het juist moeilijker om ermee te stoppen (oorzaak → gevolg).

Slide 248 - Tekstslide

padlet
ga naar padlet.com
maak een account aan (met je schoolmail)
upload je leesautobiografie
deel je padlet met een klasgenoot
lees de biografie van een ander en geef feedback

Slide 249 - Tekstslide