1F H2 Optellen en Aftrekken (AI)

Handig rekenen: optellen en aftrekken tot 1000

1 / 25
volgende
Slide 1: Slide
newEditorRekenenVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 1

In deze les zitten 25 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Handig rekenen: optellen en aftrekken tot 1000

Wat weet jij al over optellen en aftrekken met getallen tot 1000?

Aan het einde van de les kun je:

- Getallen tot 20 en 1000 optellen en aftrekken zonder rekenmachine - Herkennen wanneer je deze sommen in de praktijk gebruikt

Hoofddoel: optellen t/m 20

Je kunt twee getallen onder de 20 zonder rekenmachine bij elkaar optellen.

Subdoel: splitsen en aanvullen

Je kunt getallen splitsen (bijv. 7 + 5 → 7 + 3 + 2) en aanvullen tot 10.

Waarom handig in de praktijk?

Bijvoorbeeld: als je 9 appels en 7 peren koopt, hoeveel stuks heb je dan samen?

Begripstoets: optellen t/m 20

Maak de som: 8 + 6 = ? Schrijf je antwoord op papier.

Hoofddoel: aftrekken t/m 20

Je kunt twee getallen onder de 20 zonder rekenmachine van elkaar aftrekken.

Subdoel: terugtellen en splitsen

Je kunt van een getal terugtellen (bijv. 15 - 7 → 15 - 5 - 2).

Waarom handig in de praktijk?

Bijvoorbeeld: je hebt 15 euro en koopt iets van 9 euro. Hoeveel houd je over?

Begripstoets: aftrekken t/m 20

Maak de som: 14 - 8 = ? Schrijf je antwoord op papier.

Hoofddoel: optellen t/m 1000

Je kunt twee getallen onder de 1000 zonder rekenmachine optellen.

Subdoel: handig rijgen en splitsen

Je gebruikt het rijgen (stapelen) van getallen en splitsen in honderdtallen, tientallen, eenheden.

Praktijkvoorbeeld: optellen

Je telt eerst honderdtallen (200+500), dan resten (30+80).

Je spaart voor een fiets (€580) en hebt al €230 gespaard. Hoeveel heb je samen?

Situatie

Toepassing

Begripstoets: optellen t/m 1000

Los deze som op: 385 + 126 = ?

Hoofddoel: aftrekken t/m 1000

Je kunt twee getallen onder de 1000 zonder rekenmachine van elkaar aftrekken.

Subdoel: handig rijgen bij aftrekken

Je gebruikt rijgen en splitsen om moeilijke getallen makkelijker te maken (bijv. 742 - 189).

Praktijkvoorbeeld: aftrekken

Toepassing

Eerst grote getallen aftrekken: 1000 - 250 = ?

Je koopt iets van €250 en betaalt €1000. Hoeveel krijg je terug?

Situatie

Begripstoets: aftrekken t/m 1000

Los deze som op: 763 - 248 = ?

Herhaling: alle doelen samengevat

Nu kun je optellen en aftrekken met kleine en grote getallen. Gebruik deze kennis in winkels, bij sparen of tijdens werk.

Controle: pas kennis toe

Bedenk zelf een situatie waarin je optellen of aftrekken tot 1000 nodig hebt. Schrijf de situatie en de som op.

Reflectie: wat heb je geleerd?

Noteer wat je nu beter begrijpt over optellen en aftrekken. Waar kun je dit morgen al gebruiken?

Schrijf 3 dingen op die je deze les hebt geleerd.

Schrijf 2 dingen op waarover je meer wilt weten.

Stel 1 vraag over iets dat je nog niet zo goed hebt begrepen.