H4 Krachten, les 1 4vwo 5 -1- 2021

Welkom
1 / 36
volgende
Slide 1: Tekstslide
NatuurkundeMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4

In deze les zitten 36 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Welkom

Slide 1 - Tekstslide

Aan het eind van deze les kunnen jullie:
  • verschillende soorten krachten met formules benoemen
  • een kracht tekenen
  • drie wetten van Newton noemen en toepassen in eenvoudige situaties

Slide 2 - Tekstslide

Aan het eind van deze les weten jullie:
  • wat het verschil is tussen zwaartekracht, gewicht en massa
  • wat normaalkracht is 
  • wanneer er krachtenevenwicht is


Slide 3 - Tekstslide

Een fietser rijdt 20,0 km/h op een vlakke weg. Als zij stopt met trappen duurt het 3,5 s voordat zij 18,0 km/h rijdt. Haar massa is 65 kg en de massa van haar fiets is 20 kg.
Hoe groot is de gemiddelde wrijvingskracht op de fietsster gedurende deze 3,5 seconde?

Slide 4 - Open vraag

Uitwerking opgave Fietser
Tijdens het uitrijden over 3,5 s geldt: Fnetto = Fw
Verder geldt: Fnetto =m x a 
m = 65 + 20 = 85 kg
a = snelheidsverandering/tijd 
snelheidsverandering = 20,0 - 18,0 = 2,0 km/h = 2,0/3,6 = 0,556 m/s
a = 0,556/3,5 = 0,159 m/s2; Fw = 85 x 0,556 = 13,5 N = 14 N

Slide 5 - Tekstslide

Soorten krachten

Slide 6 - Woordweb

Soorten krachten
zwaartekracht: Fz = m x g
veerkracht: Fv = C x u,
      met C = veerconstante (N/m) en u = uitrekking (m) 
spankracht: Fsp , altijd in de richting van het koord
normaalkracht --> uitleg later

Slide 7 - Tekstslide

Weerstands (of wrijvings)krachten
luchtweerstand(skracht): 
  • afhankelijk van de snelheid, 
  • luchtdichtheid, 
  • frontaal oppervlak
  • de stroomlijn
formule: 


Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Tekstslide

Weerstands (of wrijvings)krachten
schuifwrijving, afhankelijk van:
  • gewicht van het voorwerp ("hoe hard het voorwerp op de ondergrond duwt"),
  • ruwheid van voorwerp en ondergrond

    formule: 


Slide 10 - Tekstslide

Weerstands (of wrijvings)krachten
rolweerstand, afhankelijk van:
  • gewicht van het voorwerp ("hoe hard het voorwerp op de ondergrond duwt"),
  • ruwheid van voorwerp en ondergrond

formule: 


Slide 11 - Tekstslide

Opgave 7a uit het boek:
Zie figuur 15: In welke punten is er sprake van luchtweerstand
A
A en B
B
A en C
C
A, B, C
D
B

Slide 12 - Quizvraag

Opgave 7b uit het boek.
Bekijk figuur 15. In welke punten werkt er zwaartekracht?
A
in A en B
B
in A en C
C
In A, B en C
D
in B

Slide 13 - Quizvraag

Vraag 7c uit het boek.
Bekijk figuur 15: In welk punt is de nettokracht het grootst?
A
in A
B
in B
C
in C
D
in A, B en C even groot

Slide 14 - Quizvraag

Correctie op antwoord van 7c
Tijdens de les had ik het verkeerde antwoord vermeld. De snelheidsverandering in C lijkt iets groter dan in A, maar dat is toch niet goed te zien.
In C werkt de luchtwrijvingskracht naar boven - want de beweging is naar beneden - en de zwaartekracht naar beneden. De nettokracht in C is dus kleiner dan de zwaartekracht.
In A werken de luchtwrijvingskracht en de zwaartekracht allebei naar beneden. De nettokracht in A is dus groter dan de zwaartekracht en daarom is in A de nettokracht het grootst.

Slide 15 - Tekstslide

Kracht tekenen

Slide 16 - Tekstslide

Lengte met krachtenschaal

Slide 17 - Tekstslide

1e wet van Newton
nettokracht = 0 <--> voorwerp staat stil of beweegt met constante snelheid

Slide 18 - Tekstslide

Slide 19 - Tekstslide

Slide 20 - Tekstslide

Derde wet van Newton
Actiekracht: je leunt tegen de muur en oefent een kracht uit op de muur
Reactiekracht: de muur oefent een even grote kracht op jou uit, maar dan tegengesteld gericht (zodat je niet omvalt)

Slide 21 - Tekstslide

Welke krachten zijn hier getekend? Welke krachten zijn hier de wisselwerkingskrachten?

Slide 22 - Tekstslide

Een grote magneet oefent op een ijzeren spijkertje een geweldige kracht uit. Welke van de volgende uitspraken is dan juist :
A
het spijkertje zelf oefent op de magneet geen kracht uit
B
de kracht die het spijkertje op de magneet uitoefent is veel kleiner dan deze door de magneet op het spijkertje uitgeoefend
C
de kracht die het spijkertje op de magneet uitoefent is even groot als deze door de magneet op het spijkertje uitgeoefend
D
over de grootte van de kracht die het spijkertje op de magneet uitoefent kan men niets met zekerheid zeggen

Slide 23 - Quizvraag

Een magneet van 3,0 kg oefent een kracht uit van 200 N op een tweede magneet van 1,5 kg.
Dan oefent de tweede magneet op de eerste een kracht uit van:
A
50 N
B
100 N
C
200 N
D
400 N

Slide 24 - Quizvraag

Slide 25 - Tekstslide

zwaartekracht en gewicht(skracht)
gewicht of gewichtskracht
= de kracht die het voorwerp uitoefent op het vlak waarop het rust of waaraan het hangt

Slide 26 - Tekstslide

Derde wet van Newton: gewicht en normaalkracht 
  • De normaalkracht is de reactiekracht van de gewichtskracht
  • De zwaartekracht en de normaalkracht werken op het blok en heffen elkaar op

Slide 27 - Tekstslide

De normaalkracht werkt altijd loodrecht op het ondersteunend oppervlak naar 'boven'

Slide 28 - Tekstslide

Slide 29 - Tekstslide

Slide 30 - Tekstslide

Opgave 15/Figuur 25: Let nog even niet op de getekende krachten

Slide 31 - Tekstslide

Welke krachten werken er
op de man in figuur 25?

Slide 32 - Woordweb

Welke krachten werken er op
de plank
als de plank stil ligt en in evenwicht is?

Slide 33 - Woordweb

zwaartekracht
normaalkracht
gewicht
luchtwrijving

Slide 34 - Sleepvraag

Nu kunnen jullie:
  • verschillende soorten krachten met formules benoemen
  • een kracht tekenen
  • drie wetten van Newton noemen en toepassen in eenvoudige situaties

Slide 35 - Tekstslide

Nu weten jullie:
  • wat het verschil is tussen zwaartekracht, gewicht en massa
  • wat normaalkracht is 


Slide 36 - Tekstslide