Past simple: vragen en ontkenningen
Past simple: vragen en ontkenningen
Deze les blijft biologisch gezien buiten het opgegeven vak, maar de aangeleverde inhoud gaat duidelijk over Engelse grammatica. Daarom is de les opgebouwd rond de grammaticale regels uit de screenshots.
Lesdoel
Ik kan in de past simple correcte vragen en ontkennende zinnen maken.
Deze slide heeft geen instructies
Welke woorden koppel jij aan vragen of ontkenningen in de past simple?
Gebruik dit als voorkennisactivatie. Verwachte woorden: did, didn't, was, were, could, not, vraagwoord, basisvorm.
Past simple (questions)
Een vraag in de past simple maak je op twee manieren.
Met was, were en could zet je het werkwoord vooraan.
Met alle andere werkwoorden gebruik je did aan het begin.
Daarna komt het hele werkwoord zonder to.
Benadruk dat leerlingen eerst moeten bepalen: is het hoofdwerkwoord was/were/could, of een ander werkwoord? Dat bepaalt de hele vraagvorm.
Twee vraagvormen
Met did + werkwoord
Met was / were / could
Did you take your phone with you?
Did Jack listen to you?
Did she make a sandwich?
Was David ill last week?
Were those girls at the party yesterday?
Could he solve the mystery?
Wijs erop dat bij did de verleden tijd niet meer in het hoofdwerkwoord staat: niet 'Did she made', maar 'Did she make'.
Did + infinitief zonder to
Bij vragen met did gebruik je altijd de basisvorm van het werkwoord.
Did he take the bus?
Did she make a sandwich?
Did Jack listen to you?
Dus niet: did took of did made.
Veelgemaakte fout: leerlingen zetten zowel did als een verleden tijd in dezelfde zin. Leg uit dat did de verleden tijd al aangeeft.
Vraagwoorden in de past simple
Met when, where, how en why komt het vraagwoord vooraan.
Where did you put your keys?
How was the pasta?
When did Daisy leave for school?
Laat zien dat het vraagwoord niets verandert aan de basisregel: na where/when/why/how volgt nog steeds was/were/could of did.
Welke vraag is correct in de past simple?
Did she made tea?
Was she made tea?
Did she make tea?
Did she making tea?
Toetst de kernregel van dit blok: na did gebruik je de basisvorm.
Vragen aanvullen
Where did you put your keys? Did she make a sandwich? Were those girls at the party yesterday?
Laat leerlingen letten op twee patronen: vraagwoord + did/was/were, en na did altijd de basisvorm.
Past simple (negative sentences)
Een ontkennende zin in de past simple maak je ook op twee manieren.
Met was, were en could voeg je not of -n't toe.
Met alle andere werkwoorden gebruik je didn't.
Daarna komt weer het hele werkwoord zonder to.
Deze slide heeft geen instructies
Twee ontkennende vormen
Elisa didn't buy me a snack.
We didn't bring lunch.
Our friends didn't laugh at the comedian's jokes.
Met was / were / could
It wasn't sunny yesterday.
My parents weren't at home this morning.
I couldn't see the Mona Lisa in Paris.
Met didn't + werkwoord
Laat leerlingen het verschil horen tussen wasn't/weren't/couldn't en didn't + werkwoord. Beide zijn verleden tijd, maar de bouw is anders.
Didn't + basisvorm
Na didn't gebruik je altijd de basisvorm van het werkwoord.
We didn't bring lunch.
Elisa didn't buy me a snack.
Our friends didn't laugh.
Dus niet: didn't brought of didn't bought.
Koppel dit expliciet aan de eerdere regel bij vragen: did en didn't werken allebei met de basisvorm.
De kernregel
was / were / could: geen did of didn't nodig
andere werkwoorden: gebruik did in vragen en didn't in ontkenningen
Na did / didn't volgt altijd de basisvorm
Dit is de samenvattende regelslide waarop beide subtopics samenkomen. Gebruik haar als brug naar eventuele oefening buiten deze deck.
Welke ontkennende zin is correct?
She didn't went home.
She wasn't go home.
She didn't go home.
She not went home.
Controleert of leerlingen de regel did/didn't + basisvorm toepassen.
Ontkenningen aanvullen
It wasn't sunny yesterday. We didn't bring lunch, and Elisa didn't buy me a snack. My parents weren't at home this morning.
Herhaalt beide ontkennende vormen uit dit subtopic: was/were + not en didn't + basisvorm.
Wat is voor jou de belangrijkste regel uit deze les?
Bespreek of leerlingen de samenvattende kernregel kunnen verwoorden: was/were/could zonder did of didn't; bij andere werkwoorden gebruik je did in vragen en didn't in ontkenningen; daarna volgt de basisvorm.
Wat heb je vandaag geleerd over de past simple?
Reflectievraag zonder goed of fout. Laat leerlingen benoemen wat ze echt meenemen uit de les.
Welk deel vond je nog lastig?
Reflectievraag zonder goed of fout. Bruikbaar om te bepalen waar extra inoefening nodig is.
Begrippenlijst
past simple - Engelse verleden tijd voor handelingen of situaties in het verleden.
question - Een vraagzin.
negative sentence - Een ontkennende zin.
was / were - Verleden tijd van het werkwoord to be.
could - Verleden tijd van can.
did - Hulpwerkwoord om vragen te maken in de past simple.
didn't - Korte vorm van did not, gebruikt voor ontkennende zinnen in de past simple.
Deze slide heeft geen instructies
Begrippenlijst
basisvorm - Het hele werkwoord zonder to, zoals take, make of bring.
wh-word - Een vraagwoord zoals when, where, how of why.
wasn't - Korte vorm van was not.
weren't - Korte vorm van were not.
couldn't - Korte vorm van could not.
Deze slide heeft geen instructies