CVRM P2.2 DA

Noem de verschillende hart en vaat aandoeningen
1 / 19
volgende
Slide 1: Open vraag
VerzorgingMBOStudiejaar 2

In deze les zitten 19 slides, met interactieve quizzen.

Onderdelen in deze les

Noem de verschillende hart en vaat aandoeningen

Slide 1 - Open vraag

Niet medicamenteuze adviezen
A
afvallen, stoppen met roken, voeding
B
chillen, stoppen met werken
C
vet eten, minder roken
D
elke dag groente eten

Slide 2 - Quizvraag

medicijngroepen bij hart en vaatziekten
A
cholesterolverlagers en bloeddrukverlagers
B
laxantia en antistolling
C
nsaids en bloeddrukverlagers
D
nitraten en ppi

Slide 3 - Quizvraag

Bij welke aandoening worden cholesterolverlagers gebruikt?
A
hoge bloeddruk
B
diabetes, hartinfarct, vca
C
reuma
D
hartrimestroornis, vca

Slide 4 - Quizvraag

Noem een cholesterolremmer

Slide 5 - Open vraag

noem een cholesterolopnameremmer
A
simvastatine
B
ezetimib

Slide 6 - Quizvraag

gevolgen langdurig hoge bloeddruk zonder behandeling
A
maagbloedingen, hersenbloeding
B
hartinfarct,cva, hartfalen, nierfalen

Slide 7 - Quizvraag

noem 2 groepen bloeddrukverlagers
A
betablokkers, raasremmers
B
diuretica, laxantia
C
calciumantagonist, opiaten
D
betablokkers, metoprolol

Slide 8 - Quizvraag

voorbeeld van een lisdiureticum is
A
hydrochloorthiazide
B
furosemide

Slide 9 - Quizvraag

voorbeeld van een Ace remmer
A
enalapril
B
metoprolol

Slide 10 - Quizvraag

kaliumsparend diureticum
A
furosemide
B
spironolacton

Slide 11 - Quizvraag

bijwerking ace-remmer
A
meer plassen
B
hoge bloeddruk
C
prikkelhoest
D
angina

Slide 12 - Quizvraag

waar moet je op letten bij nitraatgebruik
A
continue blijven gebruiken
B
nitraatvrije periode 8-12 uur aanhouden ivm gewenning

Slide 13 - Quizvraag

geneesmiddel die de pompkracht van het hart vergroot
A
Lanoxin (digoxine)
B
Lisinopril

Slide 14 - Quizvraag

wat is trombose
A
stolling in de nieren
B
bloedstolsel in bloedvat

Slide 15 - Quizvraag

wat is een embolie
A
bloedstolsel wat los laat en een belangrijk orgaan blokkeert
B
stolsel in de long

Slide 16 - Quizvraag

geneesmiddelgroepen bloedverdunners
A
tar, calciumantagonist, acenocoumarol
B
anticoagulantia, tar, trombolytica

Slide 17 - Quizvraag

voor welk middel moet je voor controle naar de trombosedienst
A
acenocoumarol
B
acetylsalicylzuur

Slide 18 - Quizvraag

noem een doac
A
fenprocoumon
B
rivaroxaban

Slide 19 - Quizvraag