reactievergelijkingen

 Reactievergelijkingen
1 / 15
volgende
Slide 1: Tekstslide
ScheikundeMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

In deze les zitten 15 slides, met tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

 Reactievergelijkingen

Slide 1 - Tekstslide

Terugblik Reactieschema
Bij elke chemische reactie kan een reactie schema opgesteld worden. Een goede reactie schema heeft de volgende componenten:
 
1: De stofnamen zijn uitgeschreven
2: De fases van de stoffen staan genoteerd achter de stoffen
3: Eerst schrijf je de reactanten op (de stoffen die reageren), gevolgd door een pijl, en als laatst de producten die gevormd worden bij de reactie.
Bijvoorbeeld: Koolstof (s) + Zuurstof (g) -> Koolstofdioxide (g)

Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Video

Reactievergelijkingen
Behalve reactieschema's, kunnen er ook reactievergelijkingen worden opgesteld.
Een reactievergelijking heeft twee belangrijke verschillen ten opzichte van een reactie schema.

1: De chemische stoffen worden genoteerd met hun molecuulformule.

2: De massaverhoudingen moeten kloppend gemaakt worden.

Slide 5 - Tekstslide

Voorbeeld Reactievergelijking
In een katalysator wordt stikstofoxide ontleed in de stoffen stikstof en zuurstof.

Eerst noteren we de aanwezige stoffen:
Stikstofoxide: NO, Stikstof: N2, Zuurstof: O2
De reactievergelijking wordt vervolgens:
NO (g) -> N2 (g) + O2 (g)

Slide 6 - Tekstslide

Vervolg Reactievergelijking
De reactievergelijking wordt vervolgens:
NO (g) -> N2 (g) + O2 (g)

Alleen klopt deze reactievergelijking nog niet, er is namelijk na de pijl twee keer zoveel zuurstof en stikstof als voor de pijl. We kunnen de coëfficiënt aanpassen van alle moleculen, de reactie wordt dus als volgt:

2 NO (g) -> N2 (g) + O2 (g)


Slide 7 - Tekstslide

Reactievergelijkingen kloppend maken
H2O (l) + Na (s) -> H2 (g) + NaOH (aq)
Na
O
H
Eerst noteer je de reactie vergelijking. Vervolgens zet je de aanwezige elementen eronder, in volgorde van minste naar meeste aanwezig.

Slide 8 - Tekstslide

Reactievergelijkingen kloppend maken
H2O (l) + Na (s) -> H2 (g) + NaOH (aq)
Na
O
H
Vervolgens controleer je stap voor stap of de hoeveelheid aanwezige atomen kloppen. Klopt dit niet? Dan pas je de hoeveelheid aan, en begin je weer van boven.

Slide 9 - Tekstslide

Reactievergelijkingen kloppend maken
H2O (l) + Na (s) -> H2 (g) + NaOH (aq)
1 Na 1
O
H
Eerst bij natrium: zowel links als rechts zijn er 1 natrium atoom aanwezig.

Slide 10 - Tekstslide

3.3 reactievergelijkingen
Stap 1: Stel eerst het reactieschema op
Reactieschema = de reactie in woorden

Voorbeeld: Bij de verbranding van glucose is zuurstof nodig om als reactieproducten waterdamp en koolstofdioxide te krijgen.

Slide 11 - Tekstslide

3.3 reactievergelijkingen
Stap 2: Vervang nu elke stofnaam door de bijbehorende formule
Formule = molecuulformule (zie hoofdstuk 3)

Voorbeeld: Water(damp) = H2O

Slide 12 - Tekstslide

3.3 reactievergelijkingen
Stap 3: Stel de kloppende reactievergelijking op

Regels kloppend maken:
  • Je mag alleen de coëfficiënten veranderen (dus niet de index)
  • Voor en na de pijl moet het aantal atomen van 1 soort gelijk zijn
  • Je laat de coëfficiënt 1 weg (dit is overbodige informatie)
  • Een coëfficiënt mag geen breuk zijn
  • De coëfficiënten moeten zo klein mogelijk zijn


Slide 13 - Tekstslide

3.3 reactievergelijkingen
Stap 4: Controleer of de reactievergelijking klopt

  • Controleer of je reactievergelijking klopt door de atomen voor en na de pijl met elkaar te vergelijken.
  • Controleer ook of je reactievergelijking klopt met de regels bij stap 3.

Slide 14 - Tekstslide

Stappenplan reactievergelijkingen kloppend maken
Stap 1: Stel het reactieschema op
Stap 2: Vervang elke stofnaam door de bijbehorende formule
Stap 3: Stel de kloppende reactievergelijking op
Stap 4: Controleer of de reactievergelijking klopt
Aandachtspunten:
  • Je mag alleen de coëfficiënten veranderen (dus niet de index)
  • Voor en na de pijl moet het aantal atomen van 1 soort gelijk zijn
  • Je laat de coëfficiënt 1 weg (dit is overbodige informatie)
  • Een coëfficiënt mag geen breuk zijn
  • De coëfficiënten moeten zo klein mogelijk zijn

Slide 15 - Tekstslide