Dynamiek en successie van ecosystemen (Biologie vwo), les 3: Terugblik quiz

ZELFREGULATIE · ECOSYSTEMEN

Quiz

Terugblik: Dynamiek en successie van ecosystemen

1 / 13
volgende
Slide 1: Slide
newEditorBiologieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

In deze les zitten 13 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min
Dit is niet oké

Introductie

Terugblik met tien vragen over indicatorsoorten, microklimaat, de eilandtheorie, draagkracht, exoten, klimaatverandering, gradiëntecosystemen, het optimum en concurrentie.

Onderdelen in deze les

ZELFREGULATIE · ECOSYSTEMEN

Quiz

Terugblik: Dynamiek en successie van ecosystemen

Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden. Image credit: Bj.schoenmakers / Wikimedia Commons, CC0

In een bos groeit veel brandnetel. Wat zegt dat over de bodem?

A

De bodem is zuur en arm aan voedingsstoffen

B

De bodem is rijk aan stikstof

C

De bodem is zout door overstroming met zeewater

D

De bodem bevat vrijwel geen organische stof

Brandnetel is een indicatorsoort voor stikstofrijke grond. Verwachte fout: een zure, arme bodem kiezen, de standaard voor heide.

Welke situatie is een voorbeeld van een microklimaat?

A

In het noorden is het kouder dan in het zuiden

B

Klimaatverandering verhoogt de gemiddelde temperatuur

C

In de winter is het gemiddeld kouder dan in de zomer

D

Onder een steen is het koeler en vochtiger dan ernaast

Een microklimaat geldt voor een kleine plek met eigen temperatuur en vochtigheid. De andere drie gaan over grote gebieden of seizoenen. Verwachte fout: het verschil tussen noord en zuid kiezen.

P en Q: immigratie naar twee eilanden. Welk ligt dichter bij het vasteland?

A

Het eiland van lijn P

B

Het eiland van lijn Q

C

Het eiland van lijn R

D

Dat kun je niet uit de grafiek halen

Dichter bij het vasteland is de immigratie hoger: lijn P ligt boven lijn Q. Lijn R is de uitstervingslijn en hoort bij geen eiland in het bijzonder. Verwachte fout: lijn Q kiezen omdat die langzamer daalt. Image credit: Eigen grafiek, LessonUp

Een populatie nadert de draagkracht. Wat gebeurt er met geboorte en sterfte?

A

De geboorte stijgt en de sterfte daalt

B

Beide dalen, want er is meer voedsel

C

De geboorte daalt en de sterfte stijgt

D

Beide stijgen even sterk

Beperkende factoren zoals voedsel en ruimte remmen de voortplanting en verhogen de sterfte, zodat de groei afvlakt. Verwachte fout: denken dat meer individuen meer geboorte betekent.

Waarom kan een exoot inheemse soorten verdringen?

A

Ze heeft altijd een kleinere niche dan inheemse soorten

B

Ze verhoogt de tolerantiegrens van inheemse soorten

C

Ze wint de concurrentie en heeft vaak geen vijanden

D

Ze komt van nature in elk ecosysteem voor

Een exoot concurreert om dezelfde hulpbronnen en mist in het nieuwe gebied vaak natuurlijke vijanden. Verwachte fout: denken dat een exoot een soort is die van nature overal voorkomt.

Welk effect van klimaatverandering kan op ecosystemen optreden?

A

Soorten schuiven op naar koudere gebieden

B

Alle soorten krijgen hogere tolerantiegrenzen

C

De draagkracht neemt overal evenveel toe

D

Pioniersoorten verdwijnen uit elk ecosysteem

Bij een stijgende temperatuur verschuiven de verbreidingsgebieden naar koudere gebieden, bijvoorbeeld naar het noorden of hoger de berg op. Verwachte fout: denken dat soorten zich direct aanpassen aan een hogere temperatuur.

Op een kwelder verandert de plantengroei van zee naar land. Waardoor?

A

Alle zones hebben dezelfde soortensamenstelling

B

Planten migreren elk jaar van zee naar land

C

Het is een climaxecosysteem zonder verschillen

D

Een abiotische factor verandert geleidelijk

Een kwelder is een gradiëntecosysteem: een abiotische factor (zoutgehalte, overstroming) verandert geleidelijk en elke soort groeit waar tolerantie en concurrentie dat toelaten. Verwachte fout: denken dat een climaxecosysteem overal gelijk is.

Vul in

De levensgemeenschap bestaat uit alle populaties in een gebied. Samen met de abiotische omgeving vormt zij een ecosysteem, waarvan de soortensamenstelling verandert.

levensgemeenschap
ecosysteem
soortensamenstelling
populatie
niche

Levensgemeenschap, ecosysteem en soortensamenstelling. Verwachte fout: populatie invullen omdat dat ook over soorten gaat; een populatie is één soort.

Wat is het optimum van een soort voor een abiotische factor?

A

De laagste waarde waarbij ze nog kan leven

B

De waarde waarbij ze het best groeit en zich voortplant

C

De waarde die de groei het sterkst beperkt

D

De hoogste waarde waarbij ze nog kan leven

Het optimum is de top van de tolerantiecurve. De laagste en hoogste waarde zijn de tolerantiegrenzen, de waarde die de groei beperkt is de beperkende factor. Verwachte fout: de beperkende factor kiezen.

Twee eiken van dezelfde soort staan dicht naast elkaar. Hoe concurreren ze?

A

Binnen een populatie, om licht en water

B

Tussen populaties, om licht en water

C

Ze concurreren niet, want het is dezelfde soort

D

Binnen een populatie, om een andere niche

Individuen van dezelfde soort vormen een populatie en hebben dezelfde niche, dus ze concurreren het hevigst om dezelfde hulpbronnen. Verwachte fout: denken dat concurrentie alleen tussen soorten bestaat.

Hoe zeker voel je je over dit onderwerp?

1

Heel zeker

2

Redelijk zeker

3

Niet zo zeker

4

Helemaal niet zeker

Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.

ZELFREGULATIE · ECOSYSTEMEN

Goed gedaan!

Goed gedaan. Je kunt nu uitleggen hoe populaties en ecosystemen veranderen, wat successie en omslagpunten zijn en hoe de mens daar invloed op heeft.

Deze slide heeft geen instructies