ZELFREGULATIE · ECOSYSTEMEN
Quiz
Terugblik: Dynamiek en successie van ecosystemen
ZELFREGULATIE · ECOSYSTEMEN
Quiz
Terugblik: Dynamiek en successie van ecosystemen
Les 3 van 3. Leerlingen beantwoorden individueel; bespreek na elke paar vragen kort de antwoorden. Image credit: Bj.schoenmakers / Wikimedia Commons, CC0
In een bos groeit veel brandnetel. Wat zegt dat over de bodem?
De bodem is zuur en arm aan voedingsstoffen
De bodem is rijk aan stikstof
De bodem is zout door overstroming met zeewater
De bodem bevat vrijwel geen organische stof
Brandnetel is een indicatorsoort voor stikstofrijke grond. Verwachte fout: een zure, arme bodem kiezen, de standaard voor heide.
Welke situatie is een voorbeeld van een microklimaat?
In het noorden is het kouder dan in het zuiden
Klimaatverandering verhoogt de gemiddelde temperatuur
In de winter is het gemiddeld kouder dan in de zomer
Onder een steen is het koeler en vochtiger dan ernaast
Een microklimaat geldt voor een kleine plek met eigen temperatuur en vochtigheid. De andere drie gaan over grote gebieden of seizoenen. Verwachte fout: het verschil tussen noord en zuid kiezen.
P en Q: immigratie naar twee eilanden. Welk ligt dichter bij het vasteland?
Het eiland van lijn P
Het eiland van lijn Q
Het eiland van lijn R
Dat kun je niet uit de grafiek halen
Dichter bij het vasteland is de immigratie hoger: lijn P ligt boven lijn Q. Lijn R is de uitstervingslijn en hoort bij geen eiland in het bijzonder. Verwachte fout: lijn Q kiezen omdat die langzamer daalt. Image credit: Eigen grafiek, LessonUp
Een populatie nadert de draagkracht. Wat gebeurt er met geboorte en sterfte?
De geboorte stijgt en de sterfte daalt
Beide dalen, want er is meer voedsel
De geboorte daalt en de sterfte stijgt
Beide stijgen even sterk
Beperkende factoren zoals voedsel en ruimte remmen de voortplanting en verhogen de sterfte, zodat de groei afvlakt. Verwachte fout: denken dat meer individuen meer geboorte betekent.
Waarom kan een exoot inheemse soorten verdringen?
Ze heeft altijd een kleinere niche dan inheemse soorten
Ze verhoogt de tolerantiegrens van inheemse soorten
Ze wint de concurrentie en heeft vaak geen vijanden
Ze komt van nature in elk ecosysteem voor
Een exoot concurreert om dezelfde hulpbronnen en mist in het nieuwe gebied vaak natuurlijke vijanden. Verwachte fout: denken dat een exoot een soort is die van nature overal voorkomt.
Welk effect van klimaatverandering kan op ecosystemen optreden?
Soorten schuiven op naar koudere gebieden
Alle soorten krijgen hogere tolerantiegrenzen
De draagkracht neemt overal evenveel toe
Pioniersoorten verdwijnen uit elk ecosysteem
Bij een stijgende temperatuur verschuiven de verbreidingsgebieden naar koudere gebieden, bijvoorbeeld naar het noorden of hoger de berg op. Verwachte fout: denken dat soorten zich direct aanpassen aan een hogere temperatuur.
Op een kwelder verandert de plantengroei van zee naar land. Waardoor?
Alle zones hebben dezelfde soortensamenstelling
Planten migreren elk jaar van zee naar land
Het is een climaxecosysteem zonder verschillen
Een abiotische factor verandert geleidelijk
Een kwelder is een gradiëntecosysteem: een abiotische factor (zoutgehalte, overstroming) verandert geleidelijk en elke soort groeit waar tolerantie en concurrentie dat toelaten. Verwachte fout: denken dat een climaxecosysteem overal gelijk is.
Vul in
De levensgemeenschap bestaat uit alle populaties in een gebied. Samen met de abiotische omgeving vormt zij een ecosysteem, waarvan de soortensamenstelling verandert.
Levensgemeenschap, ecosysteem en soortensamenstelling. Verwachte fout: populatie invullen omdat dat ook over soorten gaat; een populatie is één soort.
Wat is het optimum van een soort voor een abiotische factor?
De laagste waarde waarbij ze nog kan leven
De waarde waarbij ze het best groeit en zich voortplant
De waarde die de groei het sterkst beperkt
De hoogste waarde waarbij ze nog kan leven
Het optimum is de top van de tolerantiecurve. De laagste en hoogste waarde zijn de tolerantiegrenzen, de waarde die de groei beperkt is de beperkende factor. Verwachte fout: de beperkende factor kiezen.
Twee eiken van dezelfde soort staan dicht naast elkaar. Hoe concurreren ze?
Binnen een populatie, om licht en water
Tussen populaties, om licht en water
Ze concurreren niet, want het is dezelfde soort
Binnen een populatie, om een andere niche
Individuen van dezelfde soort vormen een populatie en hebben dezelfde niche, dus ze concurreren het hevigst om dezelfde hulpbronnen. Verwachte fout: denken dat concurrentie alleen tussen soorten bestaat.
Hoe zeker voel je je over dit onderwerp?
Heel zeker
Redelijk zeker
Niet zo zeker
Helemaal niet zeker
Gebruik de uitslag om te bepalen of je een onderdeel herhaalt.
ZELFREGULATIE · ECOSYSTEMEN
Goed gedaan!
Goed gedaan. Je kunt nu uitleggen hoe populaties en ecosystemen veranderen, wat successie en omslagpunten zijn en hoe de mens daar invloed op heeft.
Deze slide heeft geen instructies