A2 Overtreffende trap

Welkom klas 
1 / 31
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2ISK

In deze les zitten 31 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

Onderdelen in deze les

Welkom klas 

Slide 1 - Tekstslide

Planning

  • Trap van vergelijking
PAUZE
  • zelfstandig werken
  • toets mohammed m (thema 6)

Slide 2 - Tekstslide

Schrijf de vergrotende en overtreffende trap van: graag

Slide 3 - Open vraag

Een gram is ........ een kilo.

Slide 4 - Open vraag

Een auto gaat ......... een fiets.

Slide 5 - Open vraag

Een dorp is ........ een stad.

Slide 6 - Open vraag

Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Tekstslide

Slide 9 - Tekstslide

2.2 Trap van vergelijking

Slide 10 - Tekstslide

Slide 11 - Video

Trappen van vergelijking
Je gebruikt de vergelijkende trap wanneer je twee of meer dingen met elkaar vergelijkt.

We noemen het een trap, omdat het elke keer meer wordt.

Slide 12 - Tekstslide

klein - kleiner       aardig - aardiger
Je kunt woorden gebruiken om dingen of mensen met elkaar te vergelijken. 
Meestal zet je -er achter het woord.

  • mooi - mooier
  • lang - langer
  • klein - kleiner

Slide 13 - Tekstslide

lange - & korte klank

Kort --> extra letter 
Lang --> 1 letter minder 

Krom - krommer
Laag - lager

Slide 14 - Tekstslide

Let op!
Is de laatste letter een -r? Dan schrijft je -der achter het woord zoals bij:

  • Lekker - lekkerder en duur - duurder

                                duurder --> niet durder 



Slide 15 - Tekstslide

Sommige woorden zijn onregelmatig / speciaal
Bijvoorbeeld:

graag - liever
goed - beter
veel - meer
weinig - minder

Omar voetbalt graag buiten, maar Mike speelt liever binnen.

Slide 16 - Tekstslide

Overtreffende trap

Slide 17 - Tekstslide

Slide 18 - Tekstslide

Het leukst
Weet je het nog?
  • Je kunt mensen en dingen vergelijken door de vergrotende trap:
 Kees is langer dan Jan.

  • Je kunt ook op een andere manier vergelijken: de overtreffende trap:
     Nederlanders zijn het langst.

Slide 19 - Tekstslide

groot - groter - grootst
  1. Jij bent groot.
  2. Ik ben groter.
  3. Hij is het grootst.
  4. Ik ben groter dan jij (bent).
  5. Jij bent even groot als ik (ben).


Slide 20 - Tekstslide

'Het' ervoor en '-st' erachter
Nog een paar voorbeelden:
  • Klein - kleiner - het kleinst
  • Groot - groter - het grootst
  • Stil -stiller - het stilst
  • Donker - donkerder - het donkerst

Slide 21 - Tekstslide

Deze regel geldt ook bij de onregelmatige woorden:

graag     -   liever        -     het liefst
goed      -   beter        -     het best
veel        -   meer        -     het meest
weinig   -   minder    -      het minst

Slide 22 - Tekstslide

Wat doe je bij hetzelfde?

Slide 23 - Tekstslide

vergelijken: hetzelfde
Je gebruikt het woord even.
  1. Eslam en Yakeen voetballen even goed.
  2. Mateusz en Natnael zijn even groot.
  3. Dagmara en Saba schrijven even netjes.

Slide 24 - Tekstslide

vergelijken: hetzelfde
even als of net zo als.

1a. Eslam voetbalt even goed als Yakeen.
1b. Eslam voetbalt net zo goed als Yakeen.
2a. Mateusz is even groot als Natanael.
2b. Mateusz is net zo groot als Natanael.

Slide 25 - Tekstslide

Schrijf de vergrotende en overtreffende trap van: leuk

Slide 26 - Open vraag

Schrijf de vergrotende en overtreffende trap van: gek

Slide 27 - Open vraag


Schrijf de vergrotende en overtreffende trap van: lief

Slide 28 - Open vraag


Schrijf vergrotende en overtreffende trap van: goed

Slide 29 - Open vraag


Schrijf de vergrotende en overtreffende trap van: zwaar

Slide 30 - Open vraag

Geheime Raadspel 
Schrijf een geheime beschrijving van een persoon, plaats, dier of ding. Gebruik minstens drie overtreffende trappen.

Lees jouw beschrijving voor aan de groep, maar noem het onderwerp niet.

De groep mag om de beurt een vraag stellen om te raden wat of wie het is.
Het moet een ja/nee vraag zijn. 

Bijvoorbeeld:  "Dit is de bekendste stad in Nederland. Er zijn de meeste toeristen. Het heeft de langste grachten. Welke stad is dit?"

Slide 31 - Tekstslide