Plurals uitleg + oefening klas 1G en 1H

PLURALS
1 / 19
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 2

In deze les zitten 19 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 20 min

Onderdelen in deze les

PLURALS

Slide 1 - Tekstslide

Regular nouns: (-s)
* In het Engels maak je een meervoud door -s aan het woord toe te voegen.
Examples:
cat – cats
dog - dogs
house – houses 
pizza - pizzas

Regular nouns: (-es) "hissing sound"
* Bij woorden die eindigen op  ‑s, -ss, -sh, -ch, -x, or -z, voeg je -es toe.
Examples:
bus – buses
marsh – marshes
lunch – lunches
tax – taxes
blitz – blitzes







Slide 2 - Tekstslide

Letter -y:
*Eindigt een woord op een -Y maar je hoort een ie op het end dan vervang je de -y door -ies
Examples:
baby babies
city – cities
puppy – puppies
party - parties



Spelling (-y)
* Eindigt een woord op een -y  maar je hoort een j op het end dan voeg je -s toe aan het woord.
Examples:
ray – rays
play - plays
boy – boys
toy - toys

Slide 3 - Tekstslide

Spelling change: (-f /-fe)
* Zelfstandige nw. die eindigen op  ‑f or ‑fe, the -f krijgen ‑ves in het meervoud.
Examples:
life - lives
wife - wives
wolf - wolves
shelf - shelves

Slide 4 - Tekstslide

Letter -o:
Zelfstandige nw. die in het enkelvoud eindigen op  ‑o, voeg je -es toe
Examples:
hero - heroes
potato – potatoes

tomato – tomatoes

Let op!!!
Exceptions: uitzonderingen
photo – photos
piano – pianos




Slide 5 - Tekstslide

Irregular plurals 
child – children
goose – geese
man – men
woman – women
tooth – teeth
foot – feet
mouse – mice
person – people







policeman - policemen
fish - fish 
sheep - sheep
spacecraft - spacecraft
louse – lice

Slide 6 - Tekstslide

Plural of:
A
shoe
B
shoes
C
schoenen
D
shoos

Slide 7 - Quizvraag

Plural of: tax
A
taxs
B
taxen
C
tax's
D
taxes

Slide 8 - Quizvraag

Plural of:
A
puppies
B
puppy's
C
puppys
D
puppen

Slide 9 - Quizvraag

Plural of:
A
tomatos
B
tomaten
C
tomato's
D
tomatoes

Slide 10 - Quizvraag

Plural of: hero
A
heroes
B
hero's
C
heros
D
held

Slide 11 - Quizvraag

Plural of:
A
sheeps
B
sheep
C
schapen
D
sheep's

Slide 12 - Quizvraag

Plural of:
A
ganzen
B
goosen
C
gooses
D
geese

Slide 13 - Quizvraag

Plural of:
A
cattle
B
cattles
C
cattle's
D
cattlen

Slide 14 - Quizvraag

Plural of:
A
knife's
B
knifes
C
knives
D
kniven

Slide 15 - Quizvraag

Plural of:
A
child's
B
childs
C
kinderen
D
children

Slide 16 - Quizvraag

exercise 53
page 135

Slide 17 - Tekstslide

I can make words plural
😒🙁😐🙂😃

Slide 18 - Poll

Slide 19 - Tekstslide