10.2 Soorten veranderen

H9: Erfelijkheid
H10: Evolutie
1 / 42
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolhavoLeerjaar 5

In deze les zitten 42 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 80 min

Onderdelen in deze les

H9: Erfelijkheid
H10: Evolutie

Slide 1 - Tekstslide

Paragraaf 1 Dierenwelzijn
Paragraaf 10.2: Soorten veranderen

Slide 2 - Tekstslide

Deze les:
- 10.2 Soorten veranderen

Slide 3 - Tekstslide

Doel en begrippen 10.2
Je leert hoe het komt dat een soort voortdurend verandert

mutatie, allel, allelfrequetie, evolutie, mutageen, puntmutatie, chromosoommutaties, genoommutatie, tetraploïde cellen, recombinatie, genetische variatie, genenpool, voortplantingssucces, natuurlijke selectie, adaptatie, selectiedruk, fitness, genetic drift, toeval, seksuele selectie, kunstmatige selectie




Slide 4 - Tekstslide

Evolutie
Voor evolutie zijn de volgende zaken nodig:

Genetische variatie
Selectiedruk
Overerving


Slide 5 - Tekstslide

Genetische variatie
Genetische variatie onstaat door:

* mutaties
* recombinatie

Slide 6 - Tekstslide

Mutaties
Bij elke celdeling kunnen kopieer- of delingsfouten plaatsvinden -> mutaties
Als dit gebeurt bij het aanmaken van geslachtscellen dan erven de nakomelingen dit veranderde DNA.

Sommige invloeden van buitenaf vergroten de kans op mutaties: UV straling, radioactieve straling, chemische stoffen (roken bijv).
Deze dingen noem je mutageen.

Slide 7 - Tekstslide

Mutaties
Een mutatie is een verandering in de basenvolgorde van het DNA of in het aantal chromosomen.

Bij een verandering in de basenvolgorde in een gen kan het eiwit dat hier door wordt gecodeerd anders gaan werken. Het werkt niet meer of het werkt juist extra goed. Daardoor levert het een andere eigenschap op --> een nieuwe allel/fenotype


Slide 8 - Tekstslide

Soorten mutaties
Puntmutatie: Eén base(paar) verandert. 

Chromosoommutaties: Een deel van een chromosoom verandert, vaak meerder genen.
Delen van chromosomen ontbreken, zijn dubbel, zijn omgedraaid of verplaatst.

Genoommutatie: het aantal chromosomen verandert (bijvoorbeeld trisomie 21)

Slide 9 - Tekstslide

Puntmutatie

Slide 10 - Tekstslide

Chromosoommutatie

Slide 11 - Tekstslide

Genoommutatie

Slide 12 - Tekstslide

Tetrapoloïde/ triploïde
De stof colchicine verstoort de meiose (geen trekdraden) en hierdoor blijven de geslachtscellen diploïd.

Wordt door plantenkwekers gebruikt om tri- of tetraploïde planten te kweken. 
--> veelvoud aan genen leidt tot extra grote planten, bloemen, vruchten etc.

Slide 13 - Tekstslide

Niet alle mutaties leveren een verandering op die zichtbaar is in het fenotype. Leg uit dat een mutatie in het gen voor oogkleur niet zichtbaar is als de mutatie plaatsvindt in een huidcel.

Slide 14 - Open vraag

Recombinatie
Ook geslachtelijke voortplanting vergroot de genetische variatie binnen een populatie omdat kinderen een toevallige combinatie van de chromosomen van hun ouders krijgen.
Dit proces heet recombinatie.

De beschikbare genen binnen een populatie heet de genenpool.

Slide 15 - Tekstslide

Evolutie
Voor evolutie zijn de volgende zaken nodig:

Genetische variatie
Selectiedruk
Overerving


Slide 16 - Tekstslide

Selectiedruk
Doordat in een populatie de individuen (bijna) allemaal genetisch verschillend zijn (variatie) hebben ze allemaal een grotere of kleinere kans om zich voort te planten. De gunstige genen (hoge fitness) hebben een grotere kant om in de nieuwe generatie terecht te komen dan ongunstige genen (lage fitness).
Dit proces heet natuurlijke selectie (selectiedruk).


Slide 17 - Tekstslide

Evolutie
Het veranderen van soorten, tot zelfs het ontstaan van nieuwe soorten heet evolutie.

Evolutie gaat langzaam
Evolutie is niet gestuurd, je weet vooraf niet welke kant het op gaat, mutaties ontstaan bij toeval.
Evolutie is nooit klaar.

Slide 18 - Tekstslide

De Evolutietheorie - Stap 1
Iedereen is een beetje anders:
- Langer
- Puntigere snavel
- Dikker verenpak
- Mooiere vlekken
- Kleinere voeten
- Grotere vinnen
etc.

Genetisch variatie door Mutatie & Recombinatie

Slide 19 - Tekstslide

De Evolutietheorie: Stap 2
Het leven is zwaar: 
- Wind
- Temperatuur
- Zon
- Droogte
- Predatie
- Partners tekort

Struggle for life / Selectiedruk

Slide 20 - Tekstslide

De Evolutietheorie: Stap 3
Individuen die overleven kunnen 
hun genen doorgeven naar volgende generatie.

Genen van de individuen die niet overleven 
 of voortplanten sterven uit.

Er treedt een verandering op in de 
genetische variatie van de volgende generatie. 
De soort is geëvolueerd!

Survival of the fittest/ Overerving

Slide 21 - Tekstslide

Dus, de evolutietheorie zegt:
1. Iedereen is een beetje anders (genetische variatie)
2. Het leven is zwaar door bijv. milieu en concurrentie (selectiedrukken)
3. Individuen met de meest gunstige eigenschappen hebben meer kans op overleving en voortplanting (survival of the fittest)
4. Genen met de hoogste fitness erven over naar de volgende generatie --> adaptatie

Slide 22 - Tekstslide

Welke afbeelding geeft de evolutietheorie weer? A of B?

Slide 23 - Open vraag

In een populatie

Het veranderen van de eigenschappen van een populatie door de selectiedruk heet adaptatie.

De allelfrequentie van het allel verandert.

Voorbeeld: Berkenspanner


Slide 24 - Tekstslide

Slide 25 - Tekstslide

Oefening
Beschrijf in de drie stappen van evolutie (variatie, selectie, overerving) de  natuurlijke selectie bij de Berkenspanner. 

Slide 26 - Tekstslide

Antwoord
- In de populatie berkenspanners komen zowel donkere als lichtere varianten voor (variatie)
- Op de donkere stammen zijn de donkere berkenspanners slecht zichtbaar, zij worden door vogels minder opgegeten (selectie)
- De donkere berkenspanners hebben hierdoor een hogere kans op overleving en voorplanting, zij geven hun genen door aan de volgende generatie (overerving)

Slide 27 - Tekstslide

Slide 28 - Video

Oefening
Beschrijf in de drie stappen van evolutie (variatie, selectie, overerving) de  natuurlijke selectie bij de Oefies en Toefies. 

Slide 29 - Tekstslide

Natuurlijke selectie bij 
de Oefies en Toefies

- Welke variatie zien we in de populatie? Hoe is deze ontstaan?

- Wat is de selectiedruk?

- Overerving en adaptatie. 

Slide 30 - Tekstslide

Darwin gebruikte bij het opstellen van zijn evolutietheorie het begrip 'survival of the fittest'. Deze uitdrukking wordt meestal vertaald met 'het overleven van de sterksten'. Welke van de onderstaande individuen worden in deze uitdrukking bedoeld met 'de sterksten'?
A
De individuen die de meeste kracht kunnen leveren.
B
De individuen die het langste leven.
C
De individuen die de meeste nakomelingen krijgen.
D
De individuen van de soorten die boven in de voedselpiramide staan.

Slide 31 - Quizvraag

Zet in de juiste volgorde:
I - Dankzij zijn kleur valt een zwarte koolmees niet op bij katten. Hij leeft lang en krijgt veel nakomelingen
II - Het aantal allelen voor de zwarte kleur neemt toe in de populatie
III - Door natuurlijke selectie zijn er veel zwarte koolmezen ontstaan
IV - Door een mutatie ontstaat een zwarte koolmees in een populatie
A
II - IV - II - III
B
I - II - IV - III
C
IV - I - II - III
D
IV - II - III - I

Slide 32 - Quizvraag

Vb: Examenvraag
Vaak begint kanker in een cel door een spontane mutatie, die deze cel een
groeivoordeel geeft waardoor de cel zich sneller deelt dan normale cellen. Er
komt een soort "Natuurlijke selectie" op gang waarbij nakomelingen van de cel met het gemuteerde gen steeds meer in aantal toenemen. Onder deze
nakomelingen zijn cellen die gezonde cellen verdringen, resulterend in een
tumor, een genetisch “lichaamsvreemd deel” in het omringende weefsel.

(3p) Leg in drie stappen uit wat “Natuurlijke selectie” van deze cellen in een
menselijk lichaam inhoudt.

Slide 33 - Tekstslide

Antwoord
- Door een mutatie ontstaat er variatie, kankercellen hebben een groeivoordeel over gewone lichaamscellen (1p)

- Deze snel groeiende kankercellen kunnen zich sneller delen en verdringen gewone lichaamscellen, selectie (1p)

- De dochtercellen van deze kankercellen erven de mutatie en daarmee het groeivoordeel over, overerving (1p)

Slide 34 - Tekstslide

Genetic drift
Soms verandert de allelfrequentie van een populatie door iets anders dan natuurlijke selectie: door toeval.
  • Bij een bosbrand gaan toevallig meer planten met rode dan met witte bloemen dood.
  • Er worden toevallig meer individuen met rood haar geboren in een bepaalde periode (meer dan je zou verwachten op basis van de kansberekening).
Dit verschijnsel heet genetic drift.

Slide 35 - Tekstslide

Slide 36 - Tekstslide

Seksuele selectie
Bij de partnerkeuze wordt op specifieke eigenschappen gelet. Deze eigenschappen hebben daarom een hoge fitness, hoewel ze misschien niet erg handig zijn voor het individu (lange pauwenstaart, groot gewei enz.).

Dit proces heet seksuele selectie.

Slide 37 - Tekstslide

Kunstmatige selectie
Mensen kiezen bij het kweken van planten en het fokken van dieren bewust bepaalde eigenschappen uit.

Dit proces heet kunstmatige selectie.

Slide 38 - Tekstslide

Vraag- Welke term hoort erbij?
1. Planten die gifstoffen maken, blijven langer leven
2. Paradijsvogels met felle kleuren paren het meest
3. Poolvossen hebben kleinere oren dan woestijnvossen
4. In een gebied groeien planten met witte en paarse bloemen. Bij de aanleg van een fietspad komt het asfalt toevallig op vooral planten met witte bloemen te liggen.

GENETIC DRIFT/ NATUURLIJKE SELECTIE/ ADAPTATIE/ SEKSUELE SELECTIE

Slide 39 - Tekstslide

Bewijs voor Evolutie?

Slide 40 - Tekstslide

Doel en begrippen 10.2
Je leert hoe het komt dat een soort voortdurend verandert

mutatie, allel, allelfrequetie, evolutie, mutageen, puntmutatie, chromosoommutaties, genoommutatie, tetraploïde cellen, recombinatie, genetische variatie, genenpool, voortplantingssucces, natuurlijke selectie, adaptatie, selectiedruk, fitness, genetic drift, toeval, seksuele selectie, kunstmatige selectie




Slide 41 - Tekstslide

HUISWERK
Maken 10.2 opdr. 4, 7, 8, 10 t/m 13

Slide 42 - Tekstslide