Woe 13-09-23 herhaling klas 2

1 / 32
volgende
Slide 1: Tekstslide
DuitsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

In deze les zitten 32 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 40 min

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

HA3D
Mittwoch, 13. September 2023

Slide 2 - Tekstslide

die Planung
  • Volgende week SO
  • Herhalen grammatica
  • Aufgaben

 

Slide 3 - Tekstslide

Grammatica
Was weißt du noch?

Zwakke ww

4 Fragen

Slide 4 - Tekstslide

ich
du
er/sie/es
wir
ihr
sie/Sie
stam + st
stam + e
stam + t
stam + en
stam + t
stam + en

Slide 5 - Sleepvraag

(reden) Ihr ..... zu laut.

Slide 6 - Open vraag

(singen) Ich ....... gerne Karaoke.

Slide 7 - Open vraag


(reisen) ....... du auch gerne ins?
Letzte Frage


Slide 8 - Open vraag

Grammatica
Was weißt du noch?

kloktijden

3 Fragen

Slide 9 - Tekstslide

Vertaal:
Het is kwart over een (13:15)

Slide 10 - Open vraag

Vertaal:
Het is half vier (15:30)

Slide 11 - Open vraag

Vertaal:
Het is negen uur (9:00)

Slide 12 - Open vraag

Grammatica
Was weißt du noch?

haben/sein/werden

6 Fragen

Slide 13 - Tekstslide

Het werkwoord haben
ich
du
er/sie/es
wir
ihr
sie/Sie
habe
hast
hat
haben
habt
haben

Slide 14 - Sleepvraag

Het werkwoord sein
ich
du
er/sie/es
wir
ihr
sie/Sie
bin
bist
ist
sind
seid
sind

Slide 15 - Sleepvraag

Het werkwoord werden
ich
du
er/sie/es
wir
ihr
sie/Sie
werde
wirst
wird
werden
werdet
werden

Slide 16 - Sleepvraag

Ich ........ jetzt vierzehn Jahre alt.

Slide 17 - Open vraag

.............. Sie schon wieder krank?

Slide 18 - Open vraag


Nein, wir ............... nie zurückommen.
Letzte Frage


Slide 19 - Open vraag

Grammatica
Was weißt du noch?

voltooid deelwoord

4 Fragen

Slide 20 - Tekstslide

Voltooid deelwoord
(bezahlen) Wer hat das Essen eigentlich_____?

Slide 21 - Open vraag

Voltooid deelwoord
(warten) Wie lange hast du ______?

Slide 22 - Open vraag

Voltooid deelwoord?
(machen) Ich habe gestern einen Kuchen ______

Slide 23 - Open vraag

Voltooid deelwoord?
(studieren) Du hast zwei Jahre Deutsch_____?
Letzte Frage


Slide 24 - Open vraag

ich
du
er/sie/es

wir
ihr
sie/Sie
ik
jij
hij/zij/het

wij
jullie
zij/u
wohne
wohnst
wohnt

wohnen
wohnt
wohnen
reise
reist
reist

reisen
reist
reisen
rede
redest
redet

reden
redet
reden
wohnen      reisen          reden
1. stam? werkwoord -en
2. plaats uitgang die hoort bij het pers vnw
BV.: wohnen - wohn - du wohnst
ezelsbruggetje:
(fe)esttenten
normaal            stam op s, ss, ß,     stam op -d/-t
                                             x of z

Slide 25 - Tekstslide

Slide 26 - Tekstslide

Slide 27 - Tekstslide

Hulpwerkwoord haben + sein
ich
du
er/sie/es

wir
ihr
sie/Sie
habe
hast
hat

haben
habt
haben
bin
bist
ist

sind
seid
sind
haben                       sein                       werden
(hebben)                  (zijn)                   (worden/zullen)
Voltooid deelwoord:
gehabt               gewesen         geworden
werde
wirst
wird

werden
werdet
werden

Slide 28 - Tekstslide

Voltooid deelwoord: zwakke ww
Normale werkwoorden: ge + stam + t -> wohnen -> ge + wohn+ t = gewohnt

Werkwoorden met stam op -d of -t: ge + stam + et -> arbeiten =gearbeitet
   en werkwoorden zoals atmen en regnen

Werkwoorden die eindigen op -ieren: stam + t -> studieren ->studiert

Werkwoorden die beginnen met -ver, -be, -er: stam + t -> bezahlen ->     
    bezahlt          erzählen -> erzählt          verbringen -> verbringt



Slide 29 - Tekstslide

Voltooid deelwoord: sterke ww
•Regel: ge + stam + en -> geben -> ge + geb + en = gegeben

Bij sterke werkwoorden zijn er veel uitzonderingen.
Want de klinkers kunnen veranderen bij sterke werkwoorden, daarom heten die ook sterk.
In het Nederlands bijvoorbeeld: ik zwem, ik zwom, ik heb gezwommen
In het Duits: ich schwimme, ich schwam, ich habe geschwommen
Deze zul je gewoon zo moeten leren, daar is geen regel voor (behalve dat ze eindigen op -en)





Leren bladzijde 5 in 't boekje!!!!

Slide 30 - Tekstslide

 Aufgaben machen
opdrachten maken
  • Was (wat)? 
Kiezen: oefen so, Kapitel 1 Lektion 1 Aufgabe 8/9/11, woordjes leren
  • Wie (hoe)? Online of boek
  • Hilfe (hulp)? Buren, docent
  • Zeit (tijd)? 11:30
  • Fertig (klaar)?: Leren SO volgende week





An die Arbeit!

Slide 31 - Tekstslide

Slide 32 - Tekstslide