Macro- en micronutriënten

Macro- en micronutriënten
Wat gaan we doen? Inzoomen op de verschillende macro- en micronutriënten. Het verschil uitleggen tussen voedingsmiddelen en voedingsstoffen. Inzoomen op de energiebalans. 

 
Na deze les (lesdoel). Weet je wat macro- en micronutriënten zijn. Weet je wat het verschil is tussen voedingsmiddelen en voedingsstoffen. Weet je wanneer je aankomt en afvalt. 
1 / 76
volgende
Slide 1: Tekstslide
BeroepsoriëntatieMBOStudiejaar 2

In deze les zitten 76 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

Onderdelen in deze les

Macro- en micronutriënten
Wat gaan we doen? Inzoomen op de verschillende macro- en micronutriënten. Het verschil uitleggen tussen voedingsmiddelen en voedingsstoffen. Inzoomen op de energiebalans. 

 
Na deze les (lesdoel). Weet je wat macro- en micronutriënten zijn. Weet je wat het verschil is tussen voedingsmiddelen en voedingsstoffen. Weet je wanneer je aankomt en afvalt. 

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Het lichaam als bouwproject

Eten en drinken zijn voedingsmiddelen.

Voedingsstoffen zitten in voedingsmiddelen.

Voedingsstoffen leveren energie (kcal) en zorgen ervoor dat je gezond blijft.

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 3 - Video

Deze slide heeft geen instructies

Wat doet de spijsvertering?
Voedingsmiddelen afbreken tot voedingsstoffen die in het bloed opgenomen kunnen worden.

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Voeding voor mijn bouwproject 
Essentiele voedingsstoffen = stoffen die we nodig hebben om ons lichaam in stand te houden, maar het zelf niet kunnen produceren. Vitamine C (fruit en groente)

Semi-essentieel = voedingsstoffen die we zelf kunnen produceren, maar (onder bepaalde omstandigheden) niet in voldoende mate. Vitamine D (zonlicht)

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Macronutriënten = groot, het lichaam heeft ze in grote hoeveelheden nodig.  Deze voedingsstoffen zijn nodig voor 
opbouw en reparatie van het lichaam, energievoorziening en het regelen van alle processen die in het lichaam plaatsvinden.
Micronutriënten = klein, we hebben er maar kleine hoeveelheden van nodig op een dag. Micronutriënten zijn onmisbaar voor een goede werking en weerstand van het lichaam. 

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat zijn de macronutriënten?
A
Koolhydraten, mineralen en vetten
B
Koolhydraten, vitamines en vetten
C
Koolhydraten vitamines en eiwitten
D
Koolhydraten, eiwitten en vetten

Slide 7 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Koolhydraten
Vetten
Eiwitten
Mineralen
Vitaminen
Water

Slide 8 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Functies van koolhydraten
Brandstof voor ons centraal zenuwstelsel.
Vetverbranding faciliteren.
Remt afbraak van eigen lichaamsweefsels(spieren).
Gezonde darmwerking


Slide 9 - Tekstslide

Training en het juiste voedingspatroon kunnen de glycogeenvoorraden verdubbelen. Bij hoge inspanning wordt het glycogeen in de snelle glycolyse (anaërobe systeem) verbrand en dat levert energie en pyruvaat op. Het levert ook oxaalacetaat op, nodig voor vetverbranding.
Verteerbare koolhydraten
  • Snelle energieleveranciers
  • 4 kcal per gram
  • Zetmeel/ suikers

Niet-verteerbare koolhydraten
  • Voedingsvezels - kan het lichaam niet opnemen.
  • Geven weinig energie
  • 2 kcal per gram
  • Nodig om de darmen goed te laten werken
  • Verzadigd gevoel
  • Vermindert de kans op hart- en vaatziekten, diabetes type 2 en darmkanker

Slide 10 - Tekstslide

Fermenteerbare vezels worden in de dikke darm afgebroken. Deze vezels dienen als voeding voor de goede bacteriën in onze darm. Bonen, bananen, prei, uien, muesli, haver, gerst, brood, pasta en aardappels bevatten deze soort vezels.

Niet-fermenteerbare voedingsvezels. De darm breekt deze soort voedingsvezels niet af. Deze vezels bevorderen de beweeglijkheid van de darm en vergroten het volume van de darminhoud. Daarmee zorgen ze voor een vlotte stoelgang. Deze vezels komen onder andere voor in tarwezemelen, appel, kool, zemelen, graanproducten, erwten en bonen, en houden vocht vast, waardoor ze het volume van de ontlasting vergroten. Deze vezels zorgen ervoor dat we langer een verzadigd gevoel hebben.
Onverteerbare koolhydraten hebben geen voedingswaarde.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 11 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat zijn onverteerbare koolhydraten?
A
Zetmeel
B
Voedingsvezels
C
Suikers

Slide 12 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat zijn verteerbare koolhydraten?
A
Zetmeel
B
Voedingsvezels
C
Suikers
D
Lijnzaad

Slide 13 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

In witbrood en appelsap zitten meer vezels dan in volkorenbrood en appels?
A
Waar
B
Niet waar

Slide 14 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoe donkerder het brood hoe meer vezels het bevat!
A
Waar
B
Niet Waar

Slide 15 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Als je te weinig voedingsmiddelen met koolhydraten eet, dan kan je lichaam je spieren gaan afbreken!
A
Waar
B
Niet Waar

Slide 16 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

'Goede' koolhydraten
'Slechte' koolhydraten

Slide 17 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Vetten
Langzame energieleverancier (Diesel).
  • Vetverbranding kost meer zuurstof.
9 kcal per gram.

Slide 18 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de functie van lichaamsvet?

Slide 19 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Functies van vetten 
Grondstof voor celmembramen.
Cellen beschermen tegen ongewenste indringers.
Ogen, hersenen en spieren goed laten werken.
Grondstof voor hormonen.
Opnamen van de in vet oplosbare vitamines A, D, E en K 
Processen regelen, o.a. bloeddruk


Slide 20 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Welke twee soorten vetten zijn er?
A
verzadigde vetten en onverzadigde vetten
B
polymere vetten en monomere vetten
C
langzame vetten en snelle vetten
D
het juiste antwoord staat er niet bij

Slide 21 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Gezonde vetten
Ongezonde vetten
Onverzadigde vetten
Verzadigde vetten

Slide 22 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Onverzadigde vetten
Verzadigde vetten
Roomboter
Koekjes
Vette vlees
Volle melk producten
Halvarine
Vette vis
Noten
Alle soorten olie

Slide 23 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Eiwitten
Aminozuren = bouwstenen van eiwit.
Eiwitten afbreken tot aminozuren en vervolgens ombouwen tot lichaamseigen eiwit.

Slide 24 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 25 - Tekstslide

Eiwitten bestaan uit aaneengeschakelde aminozuren. Het lichaam breekt de aangeboden eiwitten in onze voeding af tot bruikbare aminozuren en bouwt hier lichaamseiwitten van. 
Aminozuren
Rechts: eiwit

22 verschillende aminozuren
13 daarvan kan je lichaam zelf maken = niet essentiële aminozuren
De andere 9 haal je uit voeding = essentiële aminozuren

Variatie door volgorde, lengte en soorten.

Slide 26 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wat zijn de functies van eiwitten?

Slide 27 - Open vraag

Bouwsteen en gereedschap voor groei, herstel en onderhoud van het lichaam.
vervoeren van stoffen
Hormonen; boodschappen door je lichaam sturen
Enzymen voor spijsvertering
Energie leveren
Eiwitten zijn....
A
Brandstoffen
B
Bouwstoffen

Slide 28 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke soorten eiwitten zijn er?
A
Dierlijke en plantaardige eiwitten
B
Snelle en langzame eiwitten
C
Eetbare en niet eetbare eiwitten
D
Mooie en lelijke eiwitten

Slide 29 - Quizvraag

Snelle (wei-eiwitten) en langzame (b.v. casseïne) eiwitten 

Snelle eiwitten: Alle wei-eiwit soorten of bewerkte eiwitsoorten zoals soja hydrolysaat zijn in de basis snelle eiwitten. Deze eiwitten kunnen direct in de darm worden opgenomen. Het tempo van opname is ongeveer 8-10g per uur.

Langzame eiwitten: Een voorbeeld van een langzame eiwit is caseïne eiwit. Caseïne eiwit vind je terug in zuivelproducten, zoals kwark, yoghurt en melk. Caseïne eiwitten worden gemiddeld met 6g per uur opgenomen.
Plantaardige eiwitten

Dierlijke eiwitten

Slide 30 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Van plantaardige eiwitbronnen moet je meer eten om eenzelfde hoeveelheid eiwit binnen te krijgen.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 31 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Veel eiwitten
Weinig eiwitten

Slide 32 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

In sportvoeding zitten veel eiwitten. Eiwitten zijn belangrijk voor de:
A
botten
B
hersenen
C
spieropbouw
D
nieren

Slide 33 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

1,4 gram tot maximaal 2 gram per kilogram lichaamsgewicht. 
krachtsporters = 1,8 - 2,0 gram per kg 
duursporters = 1,4 - 1,6 gram per kg 
kracht + duursport = 1,6 - 1, 8 gram per kg 

let op! een hogere eiwitinname dan de eiwitbehoefte leidt niet tot meer spiergroei. 
Eiwitbehoefte

Slide 34 - Tekstslide

Jongvolwassenen kunnen ongeveer 0,40 gram eiwit per kilogram lichaamsgewicht opnemen per maaltijd. Bij ouderen ligt dit zelfs wat hoger (~ 0,60 per kilogram lichaamsgewicht).

Een overschot aan eiwitten wordt gebruikt als brandstof of wordt opgeslagen in de vorm van vet. 
Opslag van energie
Koolhydraat: glycogeen
  • Spieren, lever
  • Voorraad spierglycogeen is na 1 tot 1,5 uur intensief sporten uitgeput --> hongerklop 
Vet
  • In beenmerg, rond organen en onder de huid
Eiwitten + koolhydraten
  • Bij teveel opgeslagen als vet

Slide 35 - Tekstslide

Door te trainen kan de hoeveelheid glycogeen die opgeslagen kan worden, worden vergroot. 

De voorraad spierglycogeen zal na 1 tot 1,5 uur intensief sporten uitgeput zijn en dan daalt het prestatievermogen met 50% --> hongerklop
Wat zijn micronutriënten?

Slide 36 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

vitamine 
Mineralen 
Vezels

Slide 37 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Vitaminen en mineralen zijn
A
Voedingsmiddelen
B
Voedingsstoffen

Slide 38 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Vitamines leveren energie!
A
Waar
B
Niet Waar

Slide 39 - Quizvraag

ze zijn nodig voor een normale groei, om stofwisselingsprocessen in het lichaam goed te laten verlopen en voor het afweersysteem. 
Kan je zonder vitaminen?
A
ja
B
nee

Slide 40 - Quizvraag

De 13 vitamines zijn essentieel voedingsstoffen. 
Wat klopt NIET over vitaminen
A
Vitaminen zitten veel in fruit
B
Vitaminen kunnen als bouwstof worden gebruikt
C
Vitaminen helpen je lichaam beschermen
D
Vitaminen kunnen als reservestof worden gebruikt

Slide 41 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Oorzaken vitaminen tekorten

Slide 42 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Welke vitamine is de vitamine van de zon?
A
Vitamine D
B
Vitamine C
C
Vitamine B
D
Vitamine A

Slide 43 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Fruit is te vervangen door een vitamine C pil.
A
Waar
B
Niet waar

Slide 44 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Vetoplosbare vitamines

Vitamine A
Vitamine D
Vitamine E
Vitamine K

Ezelsbruggetje: 
Deze vitamines houden niet van water dus blijven ze liever op de KADE
Wateroplosbare vitamines

Alle B-vitamines
Vitamine C

Slide 45 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Mineralen
Mineralen zijn stoffen die in kleine hoeveelheden voorkomen in eten en drinken. 
Ze komen vooral in gesteentes voor. 

Sporenelement: hele kleine hoeveelheden mineralen.

Hulpstof

Slide 46 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Mineralen leveren energie!
A
Waar
B
Niet Waar

Slide 47 - Quizvraag

Ze zijn nodig voor o.a. een goede werking van zenuwen en spieren, botgroei, het regelen van de vochtbalans en de groep van weefsel. 
Wat is geen mineraal ?
A
Glucose
B
Ijzer
C
Jodium
D
Calcium

Slide 48 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Bouwstof
Brandstof
Beschermende stof
Eiwitten
Vitamine
Mineralen
Vetten
Koolhydraten
Water

Slide 49 - Sleepvraag

Voor de meeste mensen die gevarieerd eten volgens de schijf van vijf en dus ook voor de sporter, is er geen goede reden om supplementen te gebruiken voor vitamines en mineralen. 

Supplementeren:
- Zwangere vrouwen of vrouwen die zwanger willen worden. 
- Kinderen van 0-3 jaar 
- Ouderen
- Veganisten 

Water = bouwstof voor onze cellen en als vocht tussen de weefsels.  
Als je eenzijdig eet krijg je dan alle macro- en micronutriënten binnen?
A
Waar
B
Niet waar

Slide 50 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is energie?
Waar heb je energie voor nodig?

Slide 51 - Woordweb

Deze slide heeft geen instructies

Je moet eten en drinken omdat je energie nodig hebt!
A
Waar
B
Niet waar

Slide 52 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

De hoeveelheid energie die je nodig hebt is afhankelijk van ...
A
Leeftijd, geslacht, activiteiten
B
Leeftijd, geslacht, beroep, activiteiten, sport
C
D
Leeftijd, sport, beroep

Slide 53 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de goede betekenis van de calorie?
A
een voedingsstof die nodig is om je lichaam mee op te bouwen
B
een soort vet, olie
C
een maat voor de hoeveelheid eiwit in eten
D
een maat voor de hoeveelheid energie in eten

Slide 54 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Veel calorieën 
Weinig calorieën 

Slide 55 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

Hoeveel calorieën bevatten deze producten?
152
235
83
541
139
65
33

Slide 56 - Sleepvraag

Deze slide heeft geen instructies

MENS & NATUUR



Gezonde Voeding
 Gezonde voeding 

Slide 57 - Tekstslide

Aanbevolen hoeveelheden:
- Koolhydraten: 40-70% van de energie die je binnenkrijgt. 
- Vet: 20 tot 40%
- Eiwitten: minimaal 10%
SCHIJF VAN 5

Slide 58 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Schijf van 5

1. Eet gevarieerd
2. Niet teveel & beweeg
3. Minder verzadigd vet
4. Veel groente, fruit en brood
5. Veilig
Op A3 papier
buiten de schijf van 5

Slide 59 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

flexitarisch
vegetarisch
veganistisch

Slide 60 - Sleepvraag

Flexitarisch: wel vlees, vis en zuivel maar kleine porties
Vegetarisch: geen vlees, wel dierlijke producten (kaas, ei)
Veganistisch: ook geen boter, melk eieren. Peulvruchten, noten/zaden, sojaproducten belangrijk voor eiwitten, vitamines, mineralen.
Welke drie methoden zijn er om te bepalen of iemand een goed gewicht heeft?

Slide 61 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Met behulp van BMI bepaal je of iemand een gezond gewicht heeft of niet.
A
Juist
B
Onjuist

Slide 62 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

BMI
Dwayne Johson is 1,96 m 
lang & weegt 118 kg. 
  1. Wat is zijn BMI? 
  2. Heeft hij daarmee ondergewicht, een gezond gewicht, is zijn gewicht te hoog of heeft hij overgewicht? 
  3. Vind je de BMI in het geval van Dwayne Johnson een handige maat om te bepalen of hij een gezond gewicht heeft? Leg uit waarom wel/niet. 

Slide 63 - Tekstslide

Ook bekend als The Rock, is een Amerikaans acteur en voormalig professioneel worstelaar.
Gezond gewicht?
Om te bepalen of je een gezond gewicht hebt kun je de BMI bepalen.
BMI = gewicht in kg : (lengte in m x lengte in m)

Slide 64 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Een man heeft gemiddeld een vetpercentage van 15% - 17% en een vrouw een gemiddeld vetpercentage van 25%.
Dit verschil is één van de verklaringen voor het prestatieverschil tussen mannen en vrouwen.

Slide 65 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 66 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Wanneer val je zeker af?
A
Als je voldoende vezels binnen krijgt
B
Als je voldoende eiwitten binnenkrijgt.
C
Als je minder energie binnenkrijgt dan je nodig hebt.
D
Als je aan intermittent fasting doet

Slide 67 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wanneer kom je aan?
A
Als je veel in de sportschool zit.
B
Als je meer energie binnenkrijgt dan je lichaam verbruikt.

Slide 68 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke stelling is juist?
A
Als je rent verbruik je per uur meer energie dan als je loopt.
B
Allebei de antwoorden zijn niet goed
C
Als je slaapt verbruik je geen energie

Slide 69 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

VOCHTBALANS

Slide 70 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Welke functies heeft water in je lichaam?
A
Transportmiddel, brandstof, thermoregulatie
B
Bouwstof, koeling, oplosmiddel
C
Transportmiddel, afvoer, thermoregulatie

Slide 71 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Vochtbalans
Negatief vochtbalans
Positief vochtbalans

De vochtbalans is afhankelijk van:
- Omgevingstemperatuur
- Luchtvochtigheidsgraad
- Duur en intensiteit van de inspanning
- Sportkleding

Slide 72 - Tekstslide

Te veel aan vochtverlies kan leiden tot een coma of zelfs tot de dood. Vochtverlies kan dus heel schadelijk zijn. 

Vochtverlies bepalen door vooraf en achteraf te wegen. 
Sportdrank
Isotoon
Hypertoon
Hypotoon

Slide 73 - Tekstslide

Te veel aan vochtverlies kan leiden tot een coma of zelfs tot de dood. Vochtverlies kan dus heel schadelijk zijn. 

Vochtverlies bepalen door vooraf en achteraf te wegen. 

Te veel aan vochtverlies kan leiden tot een coma of zelfs tot de dood. Vochtverlies kan dus heel schadelijk zijn. 

Vochtverlies bepalen door vooraf en achteraf te wegen. 
Isotoon
Hypotoon
Hypertoon

Slide 74 - Sleepvraag

Isotoon = zoutconcentratie is hetzelfde als in ons bloed. 
Dorslesser

Hyptoon = zoutconcentratie is lager dan in ons bloed
Dorslesser

Hypertoon = zoutconcentratie is hoger dan in ons bloed 
energiedrankje. 
Huiswerkopdracht: gezond dagmenu
Wat is de opdracht? Je gaat een voorbeeld dagmenu opstellen voor een sporter bij jou in de spotschool. Je gaat op zoek naar 1 recept voor het ontbijt, 1 recept voor de lunch, 1 recept voor het het avondeten en 1 recept voor een tussendoortje. 
Je gaat ieder recept goed bekijken. Wat zit er allemaal in het recept? In welke vakken van de Schijf van Vijf hoort dit recept?
Schrijf ieder recept op en zet daarachter in welke vak of vakken van de Schijf van Vijf het recept past. Zorg ervoor dat alle vakken gebruikt worden voor jullie dagmenu!
Wat is het doel? Inzicht in gezonde voeding. 
Wat lever je op? Een volledig dagmenu.
Wanneer lever je het in? De volgende les.

Slide 75 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Rondvraag
Vragen?

Slide 76 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies