Thema 12 basisstof 2

Thema 12 basisstof 2
Voedingsmiddelen en voedingsstoffen
1 / 12
volgende
Slide 1: Tekstslide
BiologieMiddelbare schoolvmbo g, t, mavoLeerjaar 4

In deze les zitten 12 slides, met tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Thema 12 basisstof 2
Voedingsmiddelen en voedingsstoffen

Slide 1 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Leerdoelen
12.2.1 Je kunt de functies van voedingsstoffen en voedingsvezels in voedingsmiddelen noemen.
12.2.2 Je kunt zes groepen voedingsstoffen met hun functies en kenmerken noemen.

Slide 2 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Slide 3 - Video

Een kort filmpje over de Schijf van Vijf.
 plantaardige voedingsmiddelen
dierlijke voedingsmiddelen

Slide 4 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Voedingsstoffen in voedingsmiddelen

Slide 5 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Eiwitten
Cellen bestaan voor een groot deel uit eiwitten en ook alle enzymen zijn eiwitten. Voor de vorming van cytoplasma bijvoorbeeld zijn veel eiwitten nodig. Je lichaam slaat geen eiwitten op. Ze kunnen dus niet als reservestof dienen. Heb je te veel eiwitten binnengekregen, dan worden deze gebruikt bij de verbranding.
In afbeelding 2 zie je voedingsmiddelen die veel eiwitten bevatten.

Slide 6 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Koolhydraten
Suiker en zetmeel zijn koolhydraten. Vooral plantaardige voedingsmiddelen bevatten koolhydraten (zie afbeelding 3). Aardappelen, tarwe, rijst en mais bevatten veel zetmeel. Vruchten bevatten vaak suiker. Tafelsuiker kan worden gemaakt van suikerbieten en suikerriet. Dierlijke voedingsmiddelen bevatten meestal weinig koolhydraten.
Koolhydraten zijn belangrijke brandstoffen: ze leveren energie. Suikers en zetmeel worden verteerd tot glucose. Een groot deel van deze glucose wordt in de cellen verbrand. Een kleiner deel wordt omgezet in vet of in glycogeen (een koolhydraat). Het wordt dan opgeslagen als reservestof.

Slide 7 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Vetten
Er zijn onverzadigde en verzadigde vetten.
  
Onverzadigde vetten zijn meestal plantaardige, vloeibare vetten. Ze zitten ook in bijvoorbeeld noten en vis (zie afbeelding 4.1). Je lichaam gebruikt onverzadigde vetten als bouwstof. Voor de vorming van celmembranen bijvoorbeeld zijn vetten nodig.
Verzadigde vetten zijn meestal dierlijke vetten (zie afbeelding 4.2). Ze dienen vooral als brandstof.

Slide 8 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Water
Water is een bouwstof. Organismen bestaan voor het grootste deel uit water. Het lichaam van een volwassene bestaat voor ongeveer 55 tot 65% uit water.
Water is belangrijk bij het vervoer van stoffen in je lichaam. Bloed en cytoplasma bestaan voor een groot deel uit water. Je lichaam verliest water door bijvoorbeeld zweten of plassen. Dit moet je weer aanvullen. Alle dranken, maar ook fruit en groenten, zijn voedingsmiddelen die veel water bevatten (zie afbeelding 5).

Slide 9 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Mineralen
Voorbeelden van mineralen zijn calcium (kalk), fluoride, ijzer, natrium en kalium. Je lichaam heeft allerlei mineralen nodig als bouwstoffen en beschermende stoffen. Voor de opbouw van je beenderen (botten) bijvoorbeeld heb je calcium nodig. Fluoride is nodig bij de opbouw van je gebit. Voor de vorming van (gezonde) rode bloedcellen is ijzer nodig.
Je hebt elke dag maar heel weinig mineralen nodig. In gezonde voeding zitten voldoende mineralen. Van keukenzout (natrium) gebruik je vaak zelfs te veel.

Slide 10 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Vitaminen

Vitaminen worden aangegeven met een letter en soms nog met een getal (bijvoorbeeld B12). Belangrijke vitaminen zijn A, B, C, D, E en K.

Slide 11 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies

Huiswerk
Thema 12 basisstof 2 opdracht 1, 2, 3, 5, 6 en 7

Slide 12 - Tekstslide

Deze slide heeft geen instructies