Klas 2 Deel A 3-4

1 / 49
volgende
Slide 1: Tekstslide
TaalSpellingMiddelbare schoolvmbo g, tLeerjaar 2

In deze les zitten 49 slides, met interactieve quiz en tekstslides.

Onderdelen in deze les

Slide 1 - Tekstslide

Ik leer in deze paragraaf:
  • hoe je een betoog schrijft;
  • hoe je je mening en argumenten geeft;
  • hoe je korte en lange zinnen afwisseltr in je tekst.


3.4   Schrijven en formuleren (p.202 t/m 209)

Slide 2 - Tekstslide

Het Lesdoel van vandaag:

  • ik weet wat een betoog is en ken de indeling.
  • ik weet het verschil tussen een mening en argumenten, tevens weet ik waar ik deze in een betoog moet plaatsen.

2.4   Schrijven en formuleren - les 1

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Tekstslide

Vuurwerk
moet verboden
worden!
Waarom, geef
     eens wat
argumenten.. 

Slide 5 - Tekstslide

1. Hoeveel hoofdstukken heeft dit boek?
2. Welke onderdelen heeft elk hoofdstuk?
3. Op welke bladzijde vind je het register en waar gebruik je dit voor?
4. Waaraan herken je de uitleg?
5. Wat betekent fictie?
6. Op welke bladzijde leer je wat de persoonsvorm is?
7. Wat zijn schooltaalwoorden?
Les 1: Wat gaan we doen:
  1. Samen maken opdracht 1  (p.202);
  2. Uitleg over het betoog;
  3. Zelfstandig maken opdr. 3, 4 en 5  (p.203-204).

Slide 6 - Tekstslide

1. Hoeveel hoofdstukken heeft dit boek?
2. Welke onderdelen heeft elk hoofdstuk?
3. Op welke bladzijde vind je het register en waar gebruik je dit voor?
4. Waaraan herken je de uitleg?
5. Wat betekent fictie?
6. Op welke bladzijde leer je wat de persoonsvorm is?
7. Wat zijn schooltaalwoorden?
Les 1: Wat gaan we doen:
  1. Samen maken opdracht 1  (p.202);
  2. Uitleg over het betoog;
  3. Zelfstandig maken opdr. 3, 4 en 5  (p.203-204).

Slide 7 - Tekstslide


  • Informatieve tekst (informatie geven over stand van zaken, bv nieuwsbericht of schoolboek) ;


Even herhalen: Tekstsoorten (uit 2.3)

Slide 8 - Tekstslide


  • Informatieve tekst (informatie geven over stand van zaken, bv nieuwsbericht of schoolboek) ;


Even herhalen: Tekstsoorten (uit 2.3)

Slide 9 - Tekstslide


  • Informatieve tekst (informatie geven over stand van zaken, bv nieuwsbericht of schoolboek) ;
  • Betogende teksten (tekst met mening, iemand overtuigen, bv recensie of ingezonden brief );


Even herhalen: Tekstsoorten (uit 2.3)

Slide 10 - Tekstslide


  • Informatieve tekst (informatie geven over stand van zaken, bv nieuwsbericht of schoolboek) ;
  • Betogende teksten (tekst met mening, iemand overtuigen, bv recensie of ingezonden brief );
  • Activerende teksten (overhalen of aansporen om iemand iets te laten doen, bv advertentie op oproep);


Even herhalen: Tekstsoorten (uit 2.3)

Slide 11 - Tekstslide


  • Informatieve tekst (informatie geven over stand van zaken, bv nieuwsbericht of schoolboek) ;
  • Betogende teksten (tekst met mening, iemand overtuigen, bv recensie of ingezonden brief );
  • Activerende teksten (overhalen of aansporen om iemand iets te laten doen, bv advertentie op oproep);
  • Amuserende teksten (amuseren, bv verhaal of strip).


Even herhalen: Tekstsoorten (uit 2.3)

Slide 12 - Tekstslide

Vandaag: HET BETOOG
  • schrijver geef zijn mening en
  • licht deze toe met argumenten
  • hij/zij wil de lezer overtuigen

    voorbeelden van betogen:
  • ingezonden brief
  • boekbespreking
  • filmrecensie

Slide 13 - Tekstslide

VEEL BETOGEN HEBBEN EEN DRIEDELING:
  • INLEIDING: schrijver formuleert zijn mening;
  • KERN: hij/zij geeft argumenten;
  • SLOT: bevat conclusie en/of vat
    het belangrijkste samen.

Slide 14 - Tekstslide

1. Hoeveel hoofdstukken heeft dit boek?
2. Welke onderdelen heeft elk hoofdstuk?
3. Op welke bladzijde vind je het register en waar gebruik je dit voor?
4. Waaraan herken je de uitleg?
5. Wat betekent fictie?
6. Op welke bladzijde leer je wat de persoonsvorm is?
7. Wat zijn schooltaalwoorden?
Les 1: Wat gaan we doen:
  1. Samen maken opdracht 1  (p.202);
  2. Uitleg over het betoog;
  3. Samen opdracht 2 maken (p.203);
  4. Zelfstandig maken opdr. 3, 4 en 5  (p.203-204).

Slide 15 - Tekstslide

1. Hoeveel hoofdstukken heeft dit boek?
2. Welke onderdelen heeft elk hoofdstuk?
3. Op welke bladzijde vind je het register en waar gebruik je dit voor?
4. Waaraan herken je de uitleg?
5. Wat betekent fictie?
6. Op welke bladzijde leer je wat de persoonsvorm is?
7. Wat zijn schooltaalwoorden?
Les 1: Wat gaan we doen:
  1. Samen maken opdracht 1  (p.202);
  2. Uitleg over het betoog;
  3. Samen opdracht 2 maken (p.203);
  4. Zelfstandig maken opdr. 3, 4 en 5  (p.203-204). 
    (is huiswerk voor volgend les (do 19-03)

Slide 16 - Tekstslide

Het Lesdoel van vandaag was:

  • ik weet wat een betoog is en ken de indeling.
  • ik weet het verschil tussen een mening en argumenten, tevens weet ik waar ik deze in een betoog moet plaatsen.

3.4   Schrijven en formuleren - les 1
Is het lesdoel behaald?

Slide 17 - Tekstslide

Slide 18 - Tekstslide

Het Lesdoel van vandaag:

  • ik weet waarom je korte en lange zinnen moet afwisselen.
  • ik kan een tekstje schrijven waarin ik korte en lange zinnen laat afwisselen.

3.4   Schrijven en formuleren - les 2

Slide 19 - Tekstslide

   Even herhalen vorige les: HET BETOOG
  • schrijver geef zijn mening en
  • licht deze toe met argumenten
  • hij/zij wil de lezer overtuigen

    voorbeelden van betogen:
  • ingezonden brief
  • boekbespreking
  • filmrecensie

Slide 20 - Tekstslide

  • INLEIDING: schrijver formuleert zijn mening;
  • KERN: hij/zij geeft argumenten;
  • SLOT: bevat conclusie en/of vat
    het belangrijkste samen.

   Even herhalen: INDELING BETOOG
Veel betogen hebben de volgende indeling:

Slide 21 - Tekstslide

1. Hoeveel hoofdstukken heeft dit boek?
2. Welke onderdelen heeft elk hoofdstuk?
3. Op welke bladzijde vind je het register en waar gebruik je dit voor?
4. Waaraan herken je de uitleg?
5. Wat betekent fictie?
6. Op welke bladzijde leer je wat de persoonsvorm is?
7. Wat zijn schooltaalwoorden?
Les 2: Wat gaan we doen:
  1. Uitleg afwisseling korte en lange zinnen;
  2. Samen maken opdr. 6  (p.205).
  3. Zelfstandig maken opdr. 7 en 8 (p.206 -207)
  4. Met klasgenoot opdracht 9 maken + inleveren

Slide 22 - Tekstslide

1. Hoeveel hoofdstukken heeft dit boek?
2. Welke onderdelen heeft elk hoofdstuk?
3. Op welke bladzijde vind je het register en waar gebruik je dit voor?
4. Waaraan herken je de uitleg?
5. Wat betekent fictie?
6. Op welke bladzijde leer je wat de persoonsvorm is?
7. Wat zijn schooltaalwoorden?
Wat vinden jullie van de onderstaande tekst?
Wat valt jullie op?

Slide 23 - Tekstslide

1. Hoeveel hoofdstukken heeft dit boek?
2. Welke onderdelen heeft elk hoofdstuk?
3. Op welke bladzijde vind je het register en waar gebruik je dit voor?
4. Waaraan herken je de uitleg?
5. Wat betekent fictie?
6. Op welke bladzijde leer je wat de persoonsvorm is?
7. Wat zijn schooltaalwoorden?
Wat vinden jullie van de onderstaande tekst?
Wat valt jullie op?
Het regent. Ik ga naar buiten. Ik heb geen paraplu. Ik word nat. De bus komt eraan. Ik ren. Ik mis de bus. Ik ben boos. Het is koud.

Slide 24 - Tekstslide

1. Hoeveel hoofdstukken heeft dit boek?
2. Welke onderdelen heeft elk hoofdstuk?
3. Op welke bladzijde vind je het register en waar gebruik je dit voor?
4. Waaraan herken je de uitleg?
5. Wat betekent fictie?
6. Op welke bladzijde leer je wat de persoonsvorm is?
7. Wat zijn schooltaalwoorden?
Wat vinden jullie van de onderstaande tekst?
Wat valt jullie op?
Het regent. Ik ga naar buiten. Ik heb geen paraplu. Ik word nat. De bus komt eraan. Ik ren. Ik mis de bus. Ik ben boos. Het is koud.
Hij bestaat uit 9 korte zinnen!

Slide 25 - Tekstslide

1. Hoeveel hoofdstukken heeft dit boek?
2. Welke onderdelen heeft elk hoofdstuk?
3. Op welke bladzijde vind je het register en waar gebruik je dit voor?
4. Waaraan herken je de uitleg?
5. Wat betekent fictie?
6. Op welke bladzijde leer je wat de persoonsvorm is?
7. Wat zijn schooltaalwoorden?
Wat vinden jullie van de onderstaande tekst?
Wat valt jullie op?
Het regent. Ik ga naar buiten. Ik heb geen paraplu. Ik word nat. De bus komt eraan. Ik ren. Ik mis de bus. Ik ben boos. Het is koud.
Leest dit lekker?

Slide 26 - Tekstslide

1. Hoeveel hoofdstukken heeft dit boek?
2. Welke onderdelen heeft elk hoofdstuk?
3. Op welke bladzijde vind je het register en waar gebruik je dit voor?
4. Waaraan herken je de uitleg?
5. Wat betekent fictie?
6. Op welke bladzijde leer je wat de persoonsvorm is?
7. Wat zijn schooltaalwoorden?
En wat vinden jullie van deze tekst?
Wat valt jullie op?

Slide 27 - Tekstslide

1. Hoeveel hoofdstukken heeft dit boek?
2. Welke onderdelen heeft elk hoofdstuk?
3. Op welke bladzijde vind je het register en waar gebruik je dit voor?
4. Waaraan herken je de uitleg?
5. Wat betekent fictie?
6. Op welke bladzijde leer je wat de persoonsvorm is?
7. Wat zijn schooltaalwoorden?
Het regent, en omdat ik geen paraplu bij me heb, word ik snel nat. 
Terwijl ik naar de bushalte ren, zie ik de bus net wegrijden. Ik ben boos en heb het koud.
En wat vinden jullie van deze tekst?
Wat valt jullie op?

Slide 28 - Tekstslide

1. Hoeveel hoofdstukken heeft dit boek?
2. Welke onderdelen heeft elk hoofdstuk?
3. Op welke bladzijde vind je het register en waar gebruik je dit voor?
4. Waaraan herken je de uitleg?
5. Wat betekent fictie?
6. Op welke bladzijde leer je wat de persoonsvorm is?
7. Wat zijn schooltaalwoorden?
Het regent, en omdat ik geen paraplu bij me heb, word ik snel nat. 
Terwijl ik naar de bushalte ren, zie ik de bus net wegrijden. Ik ben boos en heb het koud.
Leest dit beter?
En wat vinden jullie van deze tekst?
Wat valt jullie op?

Slide 29 - Tekstslide

1. Hoeveel hoofdstukken heeft dit boek?
2. Welke onderdelen heeft elk hoofdstuk?
3. Op welke bladzijde vind je het register en waar gebruik je dit voor?
4. Waaraan herken je de uitleg?
5. Wat betekent fictie?
6. Op welke bladzijde leer je wat de persoonsvorm is?
7. Wat zijn schooltaalwoorden?
Het regent, en omdat ik geen paraplu bij me heb, word ik snel nat. 
Terwijl ik naar de bushalte ren, zie ik de bus net wegrijden. Ik ben boos en heb het koud.
Met welke woorden zijn de zinnen langer gemaakt?
En wat vinden jullie van deze tekst?
Wat valt jullie op?

Slide 30 - Tekstslide

1. Hoeveel hoofdstukken heeft dit boek?
2. Welke onderdelen heeft elk hoofdstuk?
3. Op welke bladzijde vind je het register en waar gebruik je dit voor?
4. Waaraan herken je de uitleg?
5. Wat betekent fictie?
6. Op welke bladzijde leer je wat de persoonsvorm is?
7. Wat zijn schooltaalwoorden?
Het regent, en omdat ik geen paraplu bij me heb, word ik snel nat. 
Terwijl ik naar de bushalte ren, zie ik de bus net wegrijden. Ik ben boos en heb het koud.
Met welke woorden zijn de zinnen langer gemaakt?
En wat vinden jullie van deze tekst?
Wat valt jullie op?

Slide 31 - Tekstslide

1. Hoeveel hoofdstukken heeft dit boek?
2. Welke onderdelen heeft elk hoofdstuk?
3. Op welke bladzijde vind je het register en waar gebruik je dit voor?
4. Waaraan herken je de uitleg?
5. Wat betekent fictie?
6. Op welke bladzijde leer je wat de persoonsvorm is?
7. Wat zijn schooltaalwoorden?
Het regent, en omdat ik geen paraplu bij me heb, word ik snel nat. 
Terwijl ik naar de bushalte ren, zie ik de bus net wegrijden. Ik ben boos en heb het koud.
Hoe heten deze woorden?
En wat vinden jullie van deze tekst?
Wat valt jullie op?

Slide 32 - Tekstslide

1. Hoeveel hoofdstukken heeft dit boek?
2. Welke onderdelen heeft elk hoofdstuk?
3. Op welke bladzijde vind je het register en waar gebruik je dit voor?
4. Waaraan herken je de uitleg?
5. Wat betekent fictie?
6. Op welke bladzijde leer je wat de persoonsvorm is?
7. Wat zijn schooltaalwoorden?
Het regent, en omdat ik geen paraplu bij me heb, word ik snel nat. 
Terwijl ik naar de bushalte ren, zie ik de bus net wegrijden. Ik ben boos en heb het koud.
Voegwoorden, ze plakken zinnen aan elkaar.
En wat vinden jullie van deze tekst?
Wat valt jullie op?

Slide 33 - Tekstslide

1. Hoeveel hoofdstukken heeft dit boek?
2. Welke onderdelen heeft elk hoofdstuk?
3. Op welke bladzijde vind je het register en waar gebruik je dit voor?
4. Waaraan herken je de uitleg?
5. Wat betekent fictie?
6. Op welke bladzijde leer je wat de persoonsvorm is?
7. Wat zijn schooltaalwoorden?
Een tekst leest dus prettig als je korte
en lange zinnen een beetje afwisselt.


Slide 34 - Tekstslide

1. Hoeveel hoofdstukken heeft dit boek?
2. Welke onderdelen heeft elk hoofdstuk?
3. Op welke bladzijde vind je het register en waar gebruik je dit voor?
4. Waaraan herken je de uitleg?
5. Wat betekent fictie?
6. Op welke bladzijde leer je wat de persoonsvorm is?
7. Wat zijn schooltaalwoorden?
Een tekst leest dus prettig als je korte
en lange zinnen een beetje afwisselt.

Voegwoorden helpen daarbij:
  • dus (Het regent, dus we wachten nog even)
  • en (Ik ben boos en heb het koud)
  • maar (Vandaag fiets ik maar niet als het regent)
  • of (Ga je met de bus of ga je fietsen?)
  • want (Ik ga met de bus want dan ben ik er snel.)
  • als (We gaan naar huis als het droog is.)

Slide 35 - Tekstslide

1. Hoeveel hoofdstukken heeft dit boek?
2. Welke onderdelen heeft elk hoofdstuk?
3. Op welke bladzijde vind je het register en waar gebruik je dit voor?
4. Waaraan herken je de uitleg?
5. Wat betekent fictie?
6. Op welke bladzijde leer je wat de persoonsvorm is?
7. Wat zijn schooltaalwoorden?
  1.  wissel lange en korte zinnen af;

  2. Gebruik verwijswoorden:
    (De kat is ziek,
    hij moet naar een arts);

  3. Gebruik synoniemen:
    (De jongen kocht een mooie ring. Het was een hele aanschaf.);

  4. Gebruik omschrijvingen.

Slide 36 - Tekstslide

1. Hoeveel hoofdstukken heeft dit boek?
2. Welke onderdelen heeft elk hoofdstuk?
3. Op welke bladzijde vind je het register en waar gebruik je dit voor?
4. Waaraan herken je de uitleg?
5. Wat betekent fictie?
6. Op welke bladzijde leer je wat de persoonsvorm is?
7. Wat zijn schooltaalwoorden?
Les 2: Wat gaan we doen:
  1. Uitleg afwisseling korte en lange zinnen;
  2. Samen maken opdr. 6  (p.205).
  3. Zelfstandig maken opdr. 7 en 8 (p.206 -207)
  4. Met klasgenoot opdracht 9 maken + inleveren

Slide 37 - Tekstslide

1. Hoeveel hoofdstukken heeft dit boek?
2. Welke onderdelen heeft elk hoofdstuk?
3. Op welke bladzijde vind je het register en waar gebruik je dit voor?
4. Waaraan herken je de uitleg?
5. Wat betekent fictie?
6. Op welke bladzijde leer je wat de persoonsvorm is?
7. Wat zijn schooltaalwoorden?
Les 2: Wat gaan we doen:
  1. Uitleg afwisseling korte en lange zinnen;
  2. Samen maken opdr. 6  (p.205).
  3. Zelfstandig maken opdr. 7 en 8 (p.206 -207)
  4. Met klasgenoot opdracht 9 maken + inleveren

Slide 38 - Tekstslide

1. Hoeveel hoofdstukken heeft dit boek?
2. Welke onderdelen heeft elk hoofdstuk?
3. Op welke bladzijde vind je het register en waar gebruik je dit voor?
4. Waaraan herken je de uitleg?
5. Wat betekent fictie?
6. Op welke bladzijde leer je wat de persoonsvorm is?
7. Wat zijn schooltaalwoorden?
Les 2: Wat gaan we doen:
  1. Uitleg afwisseling korte en lange zinnen;
  2. Samen maken opdr. 6  (p.205).
  3. Zelfstandig maken opdr. 7 en 8 (p.206 -207)
  4. Met klasgenoot opdracht 9 maken + inleveren

Slide 39 - Tekstslide

Wat vond je van de lessen?
😒🙁😐🙂😃

Slide 40 - Poll

Slide 41 - Tekstslide

Het Lesdoel van vandaag:

  • ik weet hoe ik een betoog moet schrijven;
  • ik weet het verschil tussen een mening en argument;
  • ik kan lange en korte zinnen in een tekst afwisselen.
    Daarbij maak ik gebruik van verwijswoorden,
    synonymen (en/of omschrijvingen) en voegwoorden.
3.4   Schrijven en formuleren - les 3

Slide 42 - Tekstslide

1. Hoeveel hoofdstukken heeft dit boek?
2. Welke onderdelen heeft elk hoofdstuk?
3. Op welke bladzijde vind je het register en waar gebruik je dit voor?
4. Waaraan herken je de uitleg?
5. Wat betekent fictie?
6. Op welke bladzijde leer je wat de persoonsvorm is?
7. Wat zijn schooltaalwoorden?
Les 3: Wat gaan we doen:
  1. Herhalen theorie 3.4;
  2. Uitleg schrijftaak;
  3. Zelfstandig maken opdr. 10 t/m 14 (p.208 -209);
    Schrijftaak moet worden ingeleverd.

Slide 43 - Tekstslide

   Even herhalen vorige les: HET BETOOG
  • schrijver geef zijn mening en
  • licht deze toe met argumenten
  • hij/zij wil de lezer overtuigen

    voorbeelden van betogen:
  • ingezonden brief
  • boekbespreking
  • filmrecensie

Slide 44 - Tekstslide

  • INLEIDING  (schrijver formuleert zijn mening);
  • KERN  (hij/zij geeft argumenten);
  • SLOT  (bevat conclusie en/of vat
                   het belangrijkste samen).

   Even herhalen: INDELING BETOOG
Veel betogen hebben de volgende indeling:

Slide 45 - Tekstslide

1. Hoeveel hoofdstukken heeft dit boek?
2. Welke onderdelen heeft elk hoofdstuk?
3. Op welke bladzijde vind je het register en waar gebruik je dit voor?
4. Waaraan herken je de uitleg?
5. Wat betekent fictie?
6. Op welke bladzijde leer je wat de persoonsvorm is?
7. Wat zijn schooltaalwoorden?
  1.  wissel lange en korte zinnen af;

  2. Gebruik verwijswoorden;

  3. Gebruik synoniemen;

  4. Gebruik omschrijvingen.
   Even herhalen: INDELING BETOOG

Slide 46 - Tekstslide

1. Hoeveel hoofdstukken heeft dit boek?
2. Welke onderdelen heeft elk hoofdstuk?
3. Op welke bladzijde vind je het register en waar gebruik je dit voor?
4. Waaraan herken je de uitleg?
5. Wat betekent fictie?
6. Op welke bladzijde leer je wat de persoonsvorm is?
7. Wat zijn schooltaalwoorden?
Les 3: Wat gaan we doen:
  1. Herhalen theorie 3.4;
  2. Uitleg schrijftaak;
  3. Zelfstandig maken opdr. 10 t/m 14 (p.208 -209);
    Schrijftaak moet worden ingeleverd.

Slide 47 - Tekstslide

1. Hoeveel hoofdstukken heeft dit boek?
2. Welke onderdelen heeft elk hoofdstuk?
3. Op welke bladzijde vind je het register en waar gebruik je dit voor?
4. Waaraan herken je de uitleg?
5. Wat betekent fictie?
6. Op welke bladzijde leer je wat de persoonsvorm is?
7. Wat zijn schooltaalwoorden?
Om 12:00 denk ik aan....een frikandelbroodje!!!!

Slide 48 - Tekstslide

1. Hoeveel hoofdstukken heeft dit boek?
2. Welke onderdelen heeft elk hoofdstuk?
3. Op welke bladzijde vind je het register en waar gebruik je dit voor?
4. Waaraan herken je de uitleg?
5. Wat betekent fictie?
6. Op welke bladzijde leer je wat de persoonsvorm is?
7. Wat zijn schooltaalwoorden?
Les 3: Wat gaan we doen:
  1. Herhalen theorie 3.4;
  2. Uitleg schrijftaak;
  3. Zelfstandig maken opdr. 10 t/m 14 (p.208 -209);
    Schrijftaak/Betoog (opdr. 12, p.208) moet voor 
    de volgende les via Som (zie inleveropdrachten) ingeleverd worden.

Slide 49 - Tekstslide