Les 18 mei

Vandaag
Opwarmer
zinnen maken
voorzetsels
woordenschat - kleding


1 / 57
volgende
Slide 1: Tekstslide
NT2Enseignement Secondaire

In deze les zitten 57 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Vandaag
Opwarmer
zinnen maken
voorzetsels
woordenschat - kleding


Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Link

voorzetsels

Slide 3 - Tekstslide

Het meisje staat voor de kast.

Slide 4 - Tekstslide

Het meisje zit op de kast.

Slide 5 - Tekstslide

Het meisje ligt onder het raam.

Slide 6 - Tekstslide

Het meisje is in de kast.

Slide 7 - Tekstslide

De foto van het meisje hangt boven de kast.

Slide 8 - Tekstslide

Het meisje staat achter de kast.

Slide 9 - Tekstslide


A
op
B
in
C
boven
D
tegen

Slide 10 - Quizvraag


A
achter
B
onder
C
in
D
tegen

Slide 11 - Quizvraag


A
achter
B
in
C
boven
D
voor

Slide 12 - Quizvraag

Wat is het voorzetsel?
Het potlood ligt tussen de boeken.

Slide 13 - Open vraag

Wat is het voorzetsel?
Het kind fietst over de brug.

Slide 14 - Open vraag

Wat is het?
A
De trui
B
De jas
C
Het T-shirt
D
Het kostuum

Slide 15 - Quizvraag

Wat is het?
A
De rok
B
De jurk
C
De sjaal
D
De broek

Slide 16 - Quizvraag

Wat is het?
A
De jurk
B
De rok
C
De broek
D
De short

Slide 17 - Quizvraag

Wat is het?
A
De muts
B
De pet
C
De sjaal
D
De handschoenen

Slide 18 - Quizvraag

Wat is het?
A
De strijkplank
B
De droogkast
C
Het strijkijzer
D
De wasmachine

Slide 19 - Quizvraag

Wat is het?
A
De paskamer
B
De kledingwinkel
C
De schoenenwinkel
D
De kassa

Slide 20 - Quizvraag

Wat is het?
A
De paskamer
B
De kassa
C
De schoenenwinkel

Slide 21 - Quizvraag

Wat is het?
A
De paskamer
B
Het geld
C
De bankkaart
D
De kassa

Slide 22 - Quizvraag

Wat is het?
A
De wasmachine
B
De strijkplank
C
De droogkast
D
De paskamer

Slide 23 - Quizvraag

Wat is het?
A
Dragen
B
Kopen
C
Wassen
D
Strijken

Slide 24 - Quizvraag

Wat is het?
A
Passen
B
Vragen
C
Kopen
D
Betalen

Slide 25 - Quizvraag

De trui
A
Juist
B
Fout

Slide 26 - Quizvraag

De paskamer
A
Juist
B
Fout

Slide 27 - Quizvraag

Wat is het?

Slide 28 - Open vraag

Wat is het?

Slide 29 - Open vraag

Wat is het?

Slide 30 - Open vraag

Wat is het?

Slide 31 - Open vraag

werkwoorden vervoegen

Slide 32 - Tekstslide

1. Ik _________________(zijn) blij dat ik vandaag op school ben.

Slide 33 - Open vraag

2. Jij _________________(hebben) een mooie fiets!

Slide 34 - Open vraag

3. Hij/Zij _________________(eten) elke dag een appel tijdens de pauze.

Slide 35 - Open vraag

4. Wij _________________(leren) Nederlands.

Slide 36 - Open vraag

5. Jullie _________________(spelen) graag voetbal na school, toch?

Slide 37 - Open vraag

6. Zij (meervoud) _________________ (werken) samen aan het project.

Slide 38 - Open vraag

7. Ik _________________(lezen) graag boeken in de bibliotheek.

Slide 39 - Open vraag

werkwoorden die van een Z in een S veranderen (enkelvoud)

enkelvoud: de LETTER V wordt een letter F !
andere werkwoorden die in enkelvoud van V naar F gaan zijn:
Beleven - Ik beleef
Drijven - Ik drijf
Schrijven - Ik schrijf
Blijven - Ik blijf
Krijgen - Ik krijg
Geven - Ik geef
Overleven - Ik overleef



Slide 40 - Tekstslide

8. Jij _________________(schrijven) heel netjes, kan je mij helpen?

Slide 41 - Open vraag

werkwoorden die van een V in een f veranderen (enkelvoud)

enkelvoud: de LETTER Z wordt een S !
andere werkwoorden die in enkelvoud van z naar s gaan zijn:
Blazen - Ik blaas
Kiezen - Ik kies
Lezen - Ik lees
Verliezen - Ik verlies
Bevriezen - Ik bevries
Bewijzen - Ik bewijs
Verhuizen - Ik verhuis
Reizen - Ik reis



Slide 42 - Tekstslide

9. Hij/Zij _________________(kijken) naar het schoolbord.

Slide 43 - Open vraag

10. Wij _________________(luisteren) naar de leraar/lerares.

Slide 44 - Open vraag

11. Jullie _________________(wachten) op de bus, toch?

Slide 45 - Open vraag

12. Zij (meervoud) _________________ (dragen) hun schooluniform.

Slide 46 - Open vraag

13. Ik _________________(vergeten) soms mijn huiswerk, sorry.

Slide 47 - Open vraag

open klank? 1 klinker wordt 2 klinkers
voorbeeld
meten : ik meet
weten: ik weet
spelen: ik speel
zweten : ik zweet

Slide 48 - Tekstslide

14. Jij _________________(spreken) al goed Nederlands!

Slide 49 - Open vraag

15. Hij/Zij _________________(komen) altijd op tijd in de klas.

Slide 50 - Open vraag

16. Wij _________________(maken) onze oefeningen.

Slide 51 - Open vraag

17. Jullie _________________(kopen) iets in de kantine?

Slide 52 - Open vraag

18. Zij (meervoud) _________________(vinden) de les interessant.

Slide 53 - Open vraag

19. Ik _________________(gaan) naar de film met vrienden dit weekend.

Slide 54 - Open vraag

Gaan
Ik ga
jij gaat
hij/zij gaat
wij gaan
jullie gaan
zij gaan

Slide 55 - Tekstslide

Gaan
jij / je = you
je = your
wij / we  = we

jij hebt een fiets?
heb jij een fiets?

Slide 56 - Tekstslide

Slide 57 - Link