H6 Woordformules

 Formules
1 / 23
volgende
Slide 1: Tekstslide
RekenenMBOStudiejaar 1,2

In deze les zitten 23 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

 Formules

Slide 1 - Tekstslide

Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Tekstslide

Slide 5 - Tekstslide

Slide 6 - Tekstslide

Slide 7 - Tekstslide

Woordformules
Een woordformule is een rekenkundige zin. 

Oppervlakte rechthoek = lengte × breedte
De zin laat een verband tussen iets zien. 

In deze zin kunnen getallen en woorden staan. 
Windsnelheid in km/u = 3,6 × windsnelheid in m/s
De woorden kun je vervangen door getallen. 


Wat je uit wilt rekenen (of het totaal), staat altijd vooraan.

Slide 8 - Tekstslide

Voorbeelden van eenvoudige woordformules zijn:

Slide 9 - Tekstslide

Er komen vandaag 48 klanten (met ieder één auto) naar de garage om de banden om te wisselen naar winterbanden.
Hoeveel winterbanden heb je hiervoor nodig?
(let op berekening)

Slide 10 - Open vraag

van tabel naar woordformule
Lize verdient met een bijbaan € 5 per uur. Om snel te weten hoeveel Lize verdiend heeft, kan Lize een tabel maken met alle mogelijke aantallen uren erin:



Dit wordt wel een lange tabel. Lize kan van deze situatie ook een woordformule maken.
Dan is het salaris snel uit te rekenen:
             salaris (€) = € 5 × werktijd (uren)
Lize kan nu het aantal gewerkte uren, in de formule, invullen en het salaris uitrekenen.


Slide 11 - Tekstslide

woordformules
Formules bestaan bijna altijd uit een combinatie van vaste deel of kosten en een variabel deel of  kosten

Vaste kosten blijven altijd hetzelfde onafhankelijk van het aantal stuks. Denk hierbij aan opstartkosten, administratiekosten, servicekosten.

Variabele kosten zijn afhankelijk van het aantal

Bij een formule met vaste en variabele kosten worden vaak meer dan 1 bewerking genoemd, bijvoorbeeld + en x. Let op de rekenvolgorde:
eerst x   dan :   dan +   dan -

Slide 12 - Tekstslide

Je kunt een woordformule maken bij een situatie:
Kosten per maand (€) = € 2 × aantal liter benzine + wegenbelasting per maand (€)

vraag: welk onderdeel uit de formule zijn de vaste kosten?

Slide 13 - Open vraag

Rekenen met formules
- Je vult de getallen die je nodig hebt in, in de formule. 
Dan kun je het antwoord berekenen
Let op: Soms weet je het totaal van de formule en ontbreekt er juist een stukje formule -> Dan ga je delen (het totaal : stukje bekend van de formule)

Slide 14 - Tekstslide

Bedrag = 20 +10 x aantal uren gewerkt
Wat is het bedrag na 15 uur werken? BEREKENING!

Slide 15 - Open vraag

Je hebt een data tegoed van 20GB op jouw telefoon abonnement van €20,--. Bij overschrijding kost het per 1 GB €1,90 
Je gebruikt deze maand 37GB. Wat is de woordformule?
=
extra
GB
Totaal kosten telefoon
+
X
€ 1,90
€20,00

Slide 16 - Sleepvraag

Je huurt een Felyx scooter voor 90 minuten. 
De ontgrendeling(start)kosten zijn €0,75  
Rijden is €0,30/min. 
=
Totaal kosten scooterhuur
€0.75
+
X
€ 0,30
minuten

Slide 17 - Sleepvraag

Temperatuur = 25 - 0,2 x tijd in minuten.
Hoe veel graden is het na een half uur?
BEREKENING!

Slide 18 - Open vraag

Wat staat er onder de hand?

Slide 19 - Open vraag


Laat de berekening zien van de totaalkosten bij 35 nummers!

Slide 20 - Open vraag


Hoeveel water heeft Agnes verbruikt?
A
65,36 m³
B
38 m³
C
40 m³
D
69 m³

Slide 21 - Quizvraag

Wat voor cijfer geef jij je zelf voor opletten?

Slide 22 - Tekstslide

Nu maken:
smart rekenen
ga verder waar je gebleven bent
of start bij hoofdstuk 6: woordformules

Slide 23 - Tekstslide