Hoofdstuk 4 Licht

Hoofdstuk 3
Licht

1 / 26
volgende
Slide 1: Tekstslide
Nask / TechniekMiddelbare schoolhavoLeerjaar 3

In deze les zitten 26 slides, met tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Hoofdstuk 3
Licht

Slide 1 - Tekstslide

Paragraaf 4.1
Starten

Slide 2 - Tekstslide

Slide 3 - Video

Paragraaf 4.2
Hoe werkt een lens?

Pak spullen voor aantekeningen op tafel!

Slide 4 - Tekstslide

Leerdoelen:
Aan het eind van deze paragraaf kan ik:

  • uitleggen wat de convergerende werking van bolle lenzen is;
  • uitleggen wat de divergerende werking van holle lenzen is;
  • uitleggen wanneer een lichtbundel evenwijdig, divergent of convergent is;
  • uitleggen wat het brandpunt is;
  • rekenen met de sterkte van een lens en de brandpuntsafstand. (HAVO)

Slide 5 - Tekstslide

Startvraag
Waarom kan een vergrootglas papier in brand steken?

Slide 6 - Tekstslide

Brandglas en brandpunt
Zonlicht komt als evenwijdige bundel binnen.
De lens buigt de stralen naar één punt.
Dat punt heet het brandpunt (F).

Hoe groter de lens → hoe meer licht → hoe heter het brandpunt.

Slide 7 - Tekstslide

Slide 8 - Video

Brandpuntsafstand
De brandpuntsafstand (f) =
de afstand van het midden van de lens tot het brandpunt.

Belangrijk:
Hoe boller de lens
Hoe sterker de lens
Hoe kleiner f

Slide 9 - Tekstslide

Soorten lichtbundels

Slide 10 - Tekstslide

Bolle lens
Een bolle lens:
  • is in het midden dikker
  • buigt licht naar elkaar toe
  • heeft een positieve sterkte

Slide 11 - Tekstslide

Holle lens
Een holle lens:
  • is in het midden dunner
  • buigt licht uit elkaar
  • heeft een negatieve sterkte

Heeft eigenlijk geen brandpunt.

Slide 12 - Tekstslide

Toepassing:
Fotocamera:

De lens:
  • vangt licht op
  • convergeert licht naar de beeldsensor

Slide 13 - Tekstslide

Sterkte berekenen
S = sterkte in dioptrie (dpt)
f = brandpuntsafstand in meter (m)

Belangrijk:
f altijd in meters!
Bolle lens → +
Holle lens → −

Slide 14 - Tekstslide

Voorbeeld:
Gegeven:
f = 0,50 m

Bereken de sterkte.
𝑆 = 1 / 0,50 = 2,0 𝑑𝑝𝑡

Dus: +2,0 dpt

Slide 15 - Tekstslide

Huiswerk
Lees en maak:
Paragraaf 4.1 blok A en paragraaf 4.2 blok C en D

Slide 16 - Tekstslide

Paragraaf 4.3
Afbeelden met licht

Slide 17 - Tekstslide

Leerdoelen:
Aan het eind van de les kan ik:
  • uitleggen hoe een bolle lens een beeld maakt
  • uitleggen waarom het beeld maar op één plek scherp is
  • uitleggen waarom het beeld ondersteboven staat
  • een beeldpunt tekenen met lichtstralen
  • het beeld van een voorwerp construeren

Slide 18 - Tekstslide

Hoe maak je een beeld van iets met een lens?

Slide 19 - Tekstslide

Hoe ontstaat een beeld?
Een bolle lens:
buigt lichtstralen
laat stralen samenkomen

Licht uit één punt → beeldpunt

Veel beeldpunten samen → beeld

Slide 20 - Tekstslide

Scherp beeld
Scherp beeld als:
alle lichtstralen samenkomen op het scherm

Scherm:
te dichtbij → wazig
te ver → wazig

➡️ Slechts één juiste plek

Slide 21 - Tekstslide

Waarom ondersteboven?
Stralen van:
bovenkant voorwerp → onderkant beeld
onderkant voorwerp → bovenkant beeld

Het beeld is dus omgekeerd

Slide 22 - Tekstslide

De ooglens
Je ooglens werkt ook als een bolle lens:
het beeld komt op het netvlies en is ondersteboven

Hersenen draaien het beeld weer “recht”.

Slide 23 - Tekstslide

Bijzondere lichtstralen
Gebruik 2 stralen:
1. Evenwijdig aan de as tot de lens en dan door brandpunt.

2. Door midden van de lens rechtdoor

Snijpunt = beeldpunt

Slide 24 - Tekstslide

Beeld construeren
Stappen:
  1. teken lens
  2. teken as
  3. teken brandpunt (F)
  4. teken voorwerp
  5. teken 2 lichtstralen

Snijpunt = beeld

Slide 25 - Tekstslide

Huiswerk
Lees en maak:
Paragraaf 4.3, Blok C en D

Slide 26 - Tekstslide