Wrijving

Wrijving
  •   Ik kan verschillende soorten van wrijving benoemen. 
  • Ik kan uitleggen waarom een lekke band meer wrijving heeft. 
  • Ik kan voorbeelden geven om de wrijving in een situatie kleiner te maken. 





  •  
1 / 31
volgende
Slide 1: Tekstslide
NaskMiddelbare schoolvmbo t, mavoLeerjaar 3,4

In deze les zitten 31 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 80 min

Onderdelen in deze les

Wrijving
  •   Ik kan verschillende soorten van wrijving benoemen. 
  • Ik kan uitleggen waarom een lekke band meer wrijving heeft. 
  • Ik kan voorbeelden geven om de wrijving in een situatie kleiner te maken. 





  •  

Slide 1 - Tekstslide

wrijvingskracht.
als twee voorwerpen langs elkaar wrijven onstaat er wrijving. 

door wrijving kan iets beter voortbewegen of juist slechter.

Slide 2 - Tekstslide

Wrijving
Wrijving geeft weerstand, daardoor versnel je minder.
Voorbeelden van weerstand zijn:

- Luchtweerstand (tegenwind op de fiets)
- Rolweerstand (fietsband op de weg)
- Glijweerstand (ski op sneeuw)

Slide 3 - Tekstslide

Hoe heet de kracht waarmee de grond terug duwt op een voorwerp wat op de grond staat?
A
Tegenkracht
B
Normaalkracht
C
Weerstand
D
Wrijving

Slide 4 - Quizvraag

Bij A t/m C staan drie soorten wrijvingskrachten.
Bij 1 t/m 3 staat een aantal zaken waar wrijving van af kan hangen. Wat hoort bij elkaar?

massa, soort contactoppervlak
massa, vervorming contactoppervlak
snelheid, frontoppervlak
A. luchtweerstand
B. schuifweerstand
C. rolweerstand

Slide 5 - Sleepvraag

Bij A t/m C staan drie soorten wrijvingskrachten.
Bij 1 t/m 3 staat een aantal zaken waar wrijving van af kan hangen. Wat hoort bij elkaar?

massa, soort contactoppervlak
massa, vervorming contactoppervlak
snelheid, frontoppervlak
A. luchtweerstand
B. schuifweerstand
C. rolweerstand

Slide 6 - Sleepvraag

Peter houdt op met trappen. De fiets gaat steeds langzamer, omdat alleen de tegenwerkende krachten nog werken.

Schrijf hieronder twee tegenwerkende krachten op.

Slide 7 - Open vraag

Welke vormen van wrijving moet jij overwinnen als je op de fiets zit. (meerdere antw. mogelijk)
A
Luchtwrijving
B
schuifwrijving
C
trapwrijving
D
rolwrijving

Slide 8 - Quizvraag

Spierkracht is 340N en de luchtweerstand is 150N. De wrijving met de grond 20N. Wat is de nettokracht?

Slide 9 - Open vraag

Aandrijvingskracht
Spieren leveren de voortstuwende kracht (aandrijvingskracht).

De krachten die tegenwerken (tegenwerkende krachten) zijn luchtwrijving (luchtweerstand) en rolwrijving (rolweerstand).

Slide 10 - Tekstslide

Tegenwerkende krachten
Wanneer krachten een andere kant op werken, noem je dat tegenwerkende krachten.

Slide 11 - Tekstslide

Nettokracht berekenen
Bij tegenwerkende krachten, haal je de tegenwerkende krachten van de meewerkende krachten af.

Nettokracht =          100N          -          40N     =                              60N

Slide 12 - Tekstslide

Wat heb je niet nodig om een kracht te tekenen?
A
Aangrijpingspunt van de kracht
B
Soort kracht
C
Richting van de kracht
D
Grootte van de kracht

Slide 13 - Quizvraag

Als de voortstuwende kracht kleiner is dan de tegenwerkende kracht is de beweging:
A
Constant
B
Versneld
C
Vertraagd
D
Achteruit

Slide 14 - Quizvraag

Wat is de resultante (nettokracht)?
A
100 N
B
60 N
C
40 N
D
0 N

Slide 15 - Quizvraag

1
2
3
Sleep het blokje 'grootste kracht' naar de juiste pijl.
Let op dat je blokje 1 in blok 1 zet etc.
1: grootste kracht.
2: grootste kracht.
3: grootste kracht.

Slide 16 - Sleepvraag

Waarom is 'richting' de belangrijkste eigenschap van een kracht (zeker als er meerdere krachten werken)?

Slide 17 - Open vraag

Hoe groot is de
resultante kracht
en welke kant gaat
die op?
A
80 N naar rechts
B
70 N naar links
C
80 N naar links
D
150 N naar rechts

Slide 18 - Quizvraag

Op wie is de resultante kracht groter?
A
Iemand die net uit een vliegtuig is gesprongen.
B
Een straaljager die met constante snelheid vliegt.
C
De resultante kracht is op beide even groot.

Slide 19 - Quizvraag

Wat is de resultante kracht in deze situatie?
A
490 N rechts
B
490 N links
C
150 N rechts
D
150 N links

Slide 20 - Quizvraag

Wat is de grote en richting van de resultante?

Slide 21 - Open vraag

Combineer de juiste uitspraken over de resultante met de soort beweging.
De beweging is versneld

De beweging van het voorwerp verandert niet
De beweging is vertraagd
Het voorwerp verandert alleen van bewegingsrichting
De resultante werkt in de bewegingsrichting
De resultante op het voorwerp is gelijk aan 0 N
De resultante werkt tegen de bewegingsrichting in
De resultante staat loodrecht op de bewegingsrichting.

Slide 22 - Sleepvraag

Teken de kracht van de man op de piano.

Slide 23 - Sleepvraag


Bereken hoe groot de resultante kracht is?

Slide 24 - Open vraag

Hoe groot is de
resultante kracht?
A
76 N naar rechts
B
34 N naar links
C
110 N naar links
D
34 N naar rechts

Slide 25 - Quizvraag

De resultante kracht is
A
60 N
B
140 N
C
100 N
D
40 N

Slide 26 - Quizvraag

Als je een kracht wilt tekenen, 
moet je eerst een                                         kiezen.

1cm=50N betekent dat een pijl van 1cm 
een kracht van                        voorstelt.

Een kracht van 150 N teken je op deze schaal als een pijl van  
Krachtenschaal
50 N
3 cm

Slide 27 - Sleepvraag

Voortstuwende kracht
Wrijvingskracht
Spierkracht
Tegenwerkende kracht
Weerstand

Slide 28 - Sleepvraag

Sleep het antwoord naar de juiste plek
De voortstuwende kracht is groter dan de tegenwerkende kracht, dan is de resulterende kracht ____________________ en ______________________.
De voortstuwende kracht is gelijk aan de tegenwerkende kracht, dan is de resulterende kracht ____________________ en ______________________.
Positief of negatief
gelijk aan 0 N
Het voorwerp versneld
de snelheid is constant

Slide 29 - Sleepvraag

Wat is de resulterende kracht?

Slide 30 - Open vraag

Slide 31 - Video