Les 4 theorie verwijswoorden + start opdr. 2 schrijfd.

Lesplanning

* stillezen in je leesboek
* terugblik vorige les 
* oefeningen
* start opdr. 2 schrijfdossier


Lesdoel

Aan het eind van de 
les kan/weet ik:
* een alinea schrijven.
* verwijswoorden correct gebruiken.

timer
10:00
1 / 20
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolvwoLeerjaar 1

In deze les zitten 20 slides, met tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 60 min

Onderdelen in deze les

Lesplanning

* stillezen in je leesboek
* terugblik vorige les 
* oefeningen
* start opdr. 2 schrijfdossier


Lesdoel

Aan het eind van de 
les kan/weet ik:
* een alinea schrijven.
* verwijswoorden correct gebruiken.

timer
10:00

Slide 1 - Tekstslide

Vorige les voegwoorden en leestekens
Pak je schrift erbij en schrijf je antwoord op de volgende vragen eerst in je schrift. 
Voor elke vraag krijg je 30 seconden de tijd. 
Als alle vragen zijn geweest, bespreken we jullie antwoorden. Dus geen overleg!

Slide 2 - Tekstslide

Vraag 1
Geef 3 voorbeelden van voegwoorden.
timer
0:30

Slide 3 - Tekstslide

Vraag 2
Wanneer gebruik je een komma? Geef 2 voorbeelden.
timer
0:30

Slide 4 - Tekstslide

Vraag 3
Bij welke voegwoorden gebruik je (meestal) geen komma? 
timer
1:00

Slide 5 - Tekstslide

Formuleren; verwijswoorden
Zelfstandig naamwoorden:
  • een woord voor een mens, dier, plant of ding.

Slide 6 - Tekstslide

Verwijswoorden
Een tekst wordt beter leesbaar, als je woorden niet te vaak herhaalt. Om dit te voorkomen, kan je gebruikmaken van verwijswoorden.

Verwijswoorden kunnen voornaamwoorden, bijwoorden of synoniemen zijn.

Slide 7 - Tekstslide

Verwijswoorden
Een zelfstandig naamwoord is een de-woord of een het-woord. 

De-woorden zijn vrouwelijk (v) of mannelijk (m), het-woorden zijn onzijdig (o). 

Dat noem je het woordgeslacht. Je kunt het woordgeslacht opzoeken in een (online)woordenboek.


Slide 8 - Tekstslide

Verwijswoorden 
vrouwelijk / mannelijk / onzijdig

Vrouwelijke woorden: verwijs met zij of haar

Als mijn tante komt logeren, neemt zij haar hondjes mee.


Mannelijke woorden: verwijs met hij of zijn

Ben gaat zwemmen en hij neemt zijn duikbril mee.



Onzijdige woorden: verwijs met het of zijn

Het rugbyteam behaalde zijn eerste beker.

Slide 9 - Tekstslide

Naar zelfstandig naamwoorden
verwijs je met pers.vnw en bez.vnw:
en aanw.vnw:
mannelijk enkelvoud
hij, hem, zijn
deze, die
vrouwelijk enkelvoud
zij, ze, haar
deze, die
onzijdig
enkelvoud
het, zijn
dit, dat
meervoud
zij, ze, hen, hun
deze, die

Slide 10 - Tekstslide

Voorbeeld
Rens pakt zijn jas. Rens trekt zijn jas aan.

Je kunt dit korter zeggen:
Rens pakt zijn jas. Hij trekt hem aan.
Rens pakt zijn jas en trekt hem aan.

Je gebruikt hij voor Rens, en hem voor zijn jas.

Slide 11 - Tekstslide

Lastige verwijswoorden

Slide 12 - Tekstslide

Slide 13 - Video

Hen/hun
Hen: lijdend voorwerp (lv) en na een voorzetsel (vz)
Hun: meewerkend voorwerp (mv) zonder voorzetsel (vz)

Slide 14 - Tekstslide

Voorbeeld
Je moet hun vragen of ze ook komen.
Je moet aan hen vragen of ze ook komen.

Slide 15 - Tekstslide

Dat / wat
Wat - als je verwijst naar het woord/de woorden:
  1. dat, datgene
  2. alles, iets, niet, het enige
  3. een overtreffende trap
  4. een hele zin

Slide 16 - Tekstslide

Voorbeeld
  1. Wat ik niet vergeten ben, zal ik noteren.
  2. Alles wat hij wist, schreef hij op.
  3. Het mooiste wat ik gelezen heb, zal ik je vertellen.
  4. Hij zei toen iets totaal anders, wat me irriteerde.

Slide 17 - Tekstslide

Daarmee / waarmee / met wie
Daar+vz / waar+vz: verwijzing naar dieren en dingen

Vz+wie: verwijzing naar mensen

Slide 18 - Tekstslide

Opdracht 2 Creatief schrijven
Kies een plaats en een voorwerp uit het lijstje in je opdrachtenboek. 
Je komt terecht in een gevaarlijke situatie. Je hebt het gekozen voorwerp nodig om je daaruit te bevrijden.
Schrijf een verhaal van 200 - 250 woorden.
Gebruik minimaal 10 verwijswoorden en onderstreep deze.

Start met een kladversie van je verhaal, bijvoorbeeld in je schrift.

Slide 19 - Tekstslide

Huiswerk
Vr 19-04:
OB Taalverzorging 
par. E: maken opdr. 3 t/m 5
par. F: maken opdr. 2 en 3

Slide 20 - Tekstslide