Begrippen bij de 4 bewerkingen
Begrippen bij de 4 bewerkingen
Deze slide heeft geen instructies
Begrippen bij optellen
De getallen die je optelt, heten termen.
Het teken is +.
De uitkomst heet de som.
Voorbeeld: 4 + 7 = 11
4 en 7 de termen
11 de som.
Deze slide heeft geen instructies
Begrippen bij aftrekken
De eerste term is het aftrektal.
De tweede term is de aftrekker.
Het teken is −.
De uitkomst heet het verschil.
Voorbeeld: 14 - 8 = 6
14 en 8 zijn de termen
14 het aftrektal
8 de aftrekker
6 is het verschil
Gebruik een voorbeeld zoals 9 − 4 = 5. Benoem 9 als aftrektal, 4 als aftrekker en 5 als verschil.
Hoe heet de uitkomst van een optelling?
verschil
som
product
quotiënt
Controleert of leerlingen de uitkomstwoorden van de bewerkingen uit elkaar houden.
Hoe heet de uitkomst van een aftrekking?
verschil
som
product
quotiënt
Controleert of leerlingen de uitkomstwoorden van de bewerkingen uit elkaar houden.
Vul de begrippen in
Bij optellen voeg je hoeveelheden samen. De getallen die je optelt, heten termen en de uitkomst heet de som. Bij aftrekken neem je een hoeveelheid weg. Het eerste getal is het aftrektal , het tweede getal de aftrekker. Deze twee worden samen de termen genoemd. De uitkomst heet het verschil.
De lege plekken volgen de volgorde van de behandelde begrippen op de slides over optellen en aftrekken.
Begrippen bij vermenigvuldigen
De getallen die je vermenigvuldigt, heten factoren.
Het teken is × of soms ·.
De uitkomst heet het product.
Voorbeeld: bij 5 × 6 = 30
5 en 6 factoren
30 het product.
Deze slide heeft geen instructies
Begrippen bij delen
De eerste factor heet het deeltal.
De tweede factor heet de deler.
Het teken is : of ÷.
De uitkomst heet het quotiënt.
Voorbeeld: 24 : 8 = 3
24 en 8 zijn de factoren
24 het deeltal
8 de deler
3 is het quotiënt
Gebruik een voorbeeld zoals 20 : 5 = 4. Benoem 20 als deeltal, 5 als deler en 4 als quotiënt.
Hoe noemen we de getallen 3 en 4 in volgende oefening?
3 x 4 = 12
Termen
Som
Factoren
Product
Verwijst naar de slide 'Vermenigvuldigen: kort optellen'.
Hoe noemen we het eerste getal van een deling? (meerdere antwoorden mogelijk)
Term
Deeltal
Deler
Factor
Verwijst naar de slide 'Vermenigvuldigen: kort optellen'.
Vul de begrippen in
Bij vermenigvuldigen tel je gelijke groepjes samen. De getallen heten factoren en de uitkomst heet het product. Bij delen verdeel je eerlijk of maak je groepjes. Beide getallen noemen we ook de factoren.Het getal dat je deelt, heet het deeltal, het tweede getal de deler en de uitkomst heet het quotiënt.
Laat leerlingen de kernwoorden van vermenigvuldigen en delen actief ophalen.
De 4 bewerkingen naast elkaar
Optelling: termen → som
Aftrekking: aftrektal en aftrekker (ook termen) → verschil
Vermenigvuldiging: factoren → product
Deling: deeltal en deler (ook factoren) → quotiënt
Deze samenvatting helpt om de woordenschat van de vier bewerkingen naast elkaar te zien.
Voorbeeld met alle begrippen
8 + 3 = 11 → termen, som
8 − 3 = 5 → aftrektal en aftrekker (termen) , verschil
8 × 3 = 24 → factoren, product
8 : 2 = 4 → deeltal en deler (factoren), quotiënt
Lees de voorbeelden hardop in volledige zinnen: '8 en 3 zijn termen, 11 is de som', enzovoort.
Bij 8 − 3 = 5 is 3 ...
(meerdere antwoorden)
aftrektal
factor
aftrekker
term
Plausibele verwarring tussen aftrektal en aftrekker wordt hier gecontroleerd.
Sleepvraag
Verschil
Termen
Som
Aftrektal
Deze slide heeft geen instructies
Sleepvraag
Product
Factoren
Deler
Quotiënt
Deze slide heeft geen instructies
Als je het drievoud van een getal moet berekenen, dan moet je volgende bewerking doen:
+ 3
x 3
- 3
: 3
Deze slide heeft geen instructies
Welk begrip haal jij nog het vaakst door elkaar?
som en product
aftrektal en aftrekker
deeltal en deler
factoren en termen
Deze slide heeft geen instructies
Welke begrippen vind jij nog moeilijk?
Laat leerlingen benoemen wat nog moeilijk is, bijvoorbeeld aftrektal/aftrekker of deeltal/deler. Gebruik dit als input voor herhaling.