3A - Begrippen bij de 4 bewerkingen

Begrippen bij de 4 bewerkingen

1 / 19
volgende
Slide 1: Slide
newEditorWiskundeSecundair onderwijsBeroepssecundair onderwijsLand- en tuinbouwLeerjaar 3

In deze les zitten 19 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Begrippen bij de 4 bewerkingen

Deze slide heeft geen instructies

Begrippen bij optellen

  • De getallen die je optelt, heten termen.

  • Het teken is +.

  • De uitkomst heet de som.

  • Voorbeeld: 4 + 7 = 11

  • 4 en 7 de termen

  • 11 de som.

Deze slide heeft geen instructies

Begrippen bij aftrekken

  • De eerste term is het aftrektal.

  • De tweede term is de aftrekker.

  • Het teken is −.

  • De uitkomst heet het verschil.

  • Voorbeeld: 14 - 8 = 6

  • 14 en 8 zijn de termen

  • 14 het aftrektal

  • 8 de aftrekker

  • 6 is het verschil

Gebruik een voorbeeld zoals 9 − 4 = 5. Benoem 9 als aftrektal, 4 als aftrekker en 5 als verschil.

Hoe heet de uitkomst van een optelling?

A

verschil

B

som

C

product

D

quotiënt

Controleert of leerlingen de uitkomstwoorden van de bewerkingen uit elkaar houden.

Hoe heet de uitkomst van een aftrekking?

A

verschil

B

som

C

product

D

quotiënt

Controleert of leerlingen de uitkomstwoorden van de bewerkingen uit elkaar houden.

Vul de begrippen in

Bij optellen voeg je hoeveelheden samen. De getallen die je optelt, heten termen en de uitkomst heet de som. Bij aftrekken neem je een hoeveelheid weg. Het eerste getal is het aftrektal , het tweede getal de aftrekker. Deze twee worden samen de termen genoemd. De uitkomst heet het verschil.

termen
som
aftrektal
aftrekker
termen
verschil
factoren
product
deler
quotiënt

De lege plekken volgen de volgorde van de behandelde begrippen op de slides over optellen en aftrekken.

Begrippen bij vermenigvuldigen

  • De getallen die je vermenigvuldigt, heten factoren.

  • Het teken is × of soms ·.

  • De uitkomst heet het product.

  • Voorbeeld: bij 5 × 6 = 30

  • 5 en 6 factoren

  • 30 het product.

Deze slide heeft geen instructies

Begrippen bij delen

  • De eerste factor heet het deeltal.

  • De tweede factor heet de deler.

  • Het teken is : of ÷.

  • De uitkomst heet het quotiënt.

  • Voorbeeld: 24 : 8 = 3

  • 24 en 8 zijn de factoren

  • 24 het deeltal

  • 8 de deler

  • 3 is het quotiënt

Gebruik een voorbeeld zoals 20 : 5 = 4. Benoem 20 als deeltal, 5 als deler en 4 als quotiënt.

Hoe noemen we de getallen 3 en 4 in volgende oefening?


3 x 4 = 12


A

Termen

B

Som

C

Factoren

D

Product

Verwijst naar de slide 'Vermenigvuldigen: kort optellen'.

Hoe noemen we het eerste getal van een deling? (meerdere antwoorden mogelijk)

A

Term

B

Deeltal

C

Deler

D

Factor

Verwijst naar de slide 'Vermenigvuldigen: kort optellen'.

Vul de begrippen in

Bij vermenigvuldigen tel je gelijke groepjes samen. De getallen heten factoren en de uitkomst heet het product. Bij delen verdeel je eerlijk of maak je groepjes. Beide getallen noemen we ook de factoren.Het getal dat je deelt, heet het deeltal, het tweede getal de deler en de uitkomst heet het quotiënt.

factoren
product
factoren
deeltal
deler
quotiënt
termen
som
aftrekker
verschil

Laat leerlingen de kernwoorden van vermenigvuldigen en delen actief ophalen.

De 4 bewerkingen naast elkaar

  • Optelling: termen → som

  • Aftrekking: aftrektal en aftrekker (ook termen) → verschil

  • Vermenigvuldiging: factoren → product

  • Deling: deeltal en deler (ook factoren) → quotiënt

Deze samenvatting helpt om de woordenschat van de vier bewerkingen naast elkaar te zien.

Voorbeeld met alle begrippen

  • 8 + 3 = 11 → termen, som

  • 8 − 3 = 5 → aftrektal en aftrekker (termen) , verschil

  • 8 × 3 = 24 → factoren, product

  • 8 : 2 = 4 → deeltal en deler (factoren), quotiënt

Lees de voorbeelden hardop in volledige zinnen: '8 en 3 zijn termen, 11 is de som', enzovoort.

Bij 8 − 3 = 5 is 3 ...

(meerdere antwoorden)

A

aftrektal

B

factor

C

aftrekker

D

term

Plausibele verwarring tussen aftrektal en aftrekker wordt hier gecontroleerd.

Sleepvraag



Verschil

Termen

Som

Aftrektal

Deze slide heeft geen instructies

Sleepvraag



Product

Factoren

Deler

Quotiënt

Deze slide heeft geen instructies

Als je het drievoud van een getal moet berekenen, dan moet je volgende bewerking doen:

A

+ 3

B

x 3

C

- 3

D

: 3

Deze slide heeft geen instructies

Welk begrip haal jij nog het vaakst door elkaar?

1

som en product

2

aftrektal en aftrekker

3

deeltal en deler

4

factoren en termen

Deze slide heeft geen instructies

Welke begrippen vind jij nog moeilijk?

Laat leerlingen benoemen wat nog moeilijk is, bijvoorbeeld aftrektal/aftrekker of deeltal/deler. Gebruik dit als input voor herhaling.