Hormoonstelsel (Biologie vmbo), les 2: Examentraining

LICHAAM · HORMOONSTELSEL

Examentraining

Hormoonstelsel: zo pak je examenvragen aan

1 / 17
volgende
Slide 1: Slide
newEditorBiologieMiddelbare schoolvmboLeerjaar 3,4

In deze les zitten 17 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Introductie

Examentraining met vier vraagtypen: klieren aanwijzen op een tekening, klier en hormoon koppelen, een grafiek lezen en een situatie verklaren. Acht vragen in examenstijl, waarvan vier met een tekening of grafiek.

Onderdelen in deze les

LICHAAM · HORMOONSTELSEL

Examentraining

Hormoonstelsel: zo pak je examenvragen aan

Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Jeremy Thompson / Wikimedia Commons, CC BY 2.0

LICHAAM · HORMOONSTELSEL

Wat ga je kunnen?

Ik kan klieren aanwijzen op een tekening, een grafiek lezen en met een situatie bepalen welk hormoon past.

Deze slide heeft geen instructies

LICHAAM · HORMOONSTELSEL

Zo pak je een examenvraag aan

  • 1. Lees: over welke klier of welk hormoon gaat de vraag?

  • 2. Kijk: bekijk de tekening of de grafiek goed. Wat staat op de assen en bij de letters?

  • 3. Denk: welk begrip uit de les past bij de gegevens?

  • 4. Controleer: past je antwoord bij alle gegevens in de vraag?

Deze slide heeft geen instructies

LICHAAM · HORMOONSTELSEL

Vraagtype 1: klieren aanwijzen op een tekening

  • Je krijgt een tekening met letters.

  • Zoek eerst op waar de klier ligt: in je hoofd, je hals, je buik of lager.

  • Let op de ligging ten opzichte van de nieren en de alvleesklier.

  • Kies de letter die bij de klier hoort.

Deze slide heeft geen instructies

Welke letter is de schildklier?

A

Letter B

B

Letter A

C

Letter D

D

Letter F

De schildklier zit in de hals: letter A. Verwachte fout: letter C kiezen, dat is de hypofyse in het hoofd. Image credit: Eigen tekening

Welke letter is een bijnier?

A

Letter E

B

Letter B

C

Letter C

D

Letter D

De bijnier zit boven op de nier: letter E. Verwachte fout: letter B, dat is de alvleesklier tussen de nieren. Letter D is een eierstok. Image credit: Eigen tekening

LICHAAM · HORMOONSTELSEL

Vraagtype 2: klier, hormoon en werking koppelen

  • Je krijgt een omschrijving en moet de klier of het hormoon noemen.

  • Onthoud per klier wat het hormoon doet.

  • Bij het suikergehalte: insuline verlaagt, glucagon verhoogt.

  • Lees goed welk orgaan het hormoon maakt.

Deze slide heeft geen instructies

Welke klier stuurt andere hormoonklieren aan?

A

De schildklier

B

De bijnier

C

De hypofyse

D

De alvleesklier

De hypofyse. Verwachte fout: de schildklier, die zelf wordt aangestuurd en niet andersom.

Je hebt uren niets gegeten en je suikergehalte is laag. Welk hormoon geven je eilandjes af?

A

Insuline

B

Glucagon

C

Adrenaline

D

Geslachtshormoon

Bij een laag suikergehalte geven de eilandjes glucagon af. Verwachte fout: insuline, dat verlaagt het suikergehalte juist. Adrenaline komt uit de bijnieren.

LICHAAM · HORMOONSTELSEL

Vraagtype 3: een grafiek lezen

  • Kijk eerst wat op de assen staat en in welke eenheid.

  • Zoek de lijn van de persoon uit de vraag.

  • Lees de waarde af bij het juiste tijdstip.

  • Vergelijk de lijnen: welke daalt weer, welke blijft hoog?

Deze slide heeft geen instructies

Piet en Sanne eten allebei hetzelfde. Wie heeft waarschijnlijk diabetes?

A

Piet, de lijn blijft hoog

B

Geen van beiden: beide stijgen

C

Allebei: beide stijgen

D

Sanne, de lijn blijft hoog

Bij Sanne blijft het suikergehalte hoog: dat past bij diabetes. Bij Piet daalt het weer naar de beginwaarde. Verwachte fout: alleen naar de stijging kijken. De getallen in de grafiek zijn verzonnen. Image credit: Eigen tekening

Hoe hoog is het suikergehalte van Piet 1 uur na de maaltijd?

A

5 mmol/L

B

9 mmol/L

C

12 mmol/L

D

7 mmol/L

Lees bij 1 uur de blauwe lijn af: 7. Verwachte fout: 12 kiezen, dat is de lijn van Sanne. Image credit: Eigen tekening

LICHAAM · HORMOONSTELSEL

Vraagtype 4: een situatie verklaren

  • Je krijgt een situatie en moet verklaren wat er in het lichaam gebeurt.

  • Bepaal eerst welk hormoon of welke klier erbij hoort.

  • Bedenk dan wat dat hormoon doet.

  • Schrijf of kies het antwoord dat bij alle gegevens past.

Deze slide heeft geen instructies

Dina staat klaar voor de start van een sprint en maakt adrenaline. Wat gebeurt er met de glucose in het bloed?

A

De hoeveelheid daalt

B

De hoeveelheid stijgt

C

De hoeveelheid blijft gelijk

D

De glucose verdwijnt uit het bloed

Adrenaline verhoogt het glucosegehalte, zodat de spieren extra energie krijgen. Verwachte fout: dalen kiezen, dat doet insuline.

Een klier maakt geslachtshormonen en zaadcellen. Welke klier is dat?

A

Een eierstok

B

De hypofyse

C

Een teelbal

D

De bijnier

Teelballen maken geslachtshormonen en zaadcellen. Verwachte fout: de eierstok, die maakt eicellen.

Welk vraagtype vind jij het lastigst?

1

Klieren aanwijzen op een tekening

2

Klier en hormoon koppelen

3

Een grafiek lezen

4

Een situatie verklaren

Bespreek het vraagtype met de meeste stemmen kort na met een voorbeeld.

LICHAAM · HORMOONSTELSEL

Tips voor op het examen

  • Leer de ligging van de klieren: hypofyse in het hoofd, schildklier in de hals, bijnieren op de nieren.

  • Onthoud: insuline verlaagt het suikergehalte, glucagon verhoogt het.

  • Lees bij een grafiek eerst de assen en de eenheid.

  • Noem bij een situatie altijd het hormoon en wat het doet.

Deze slide heeft geen instructies