Hormonale regulatie (Biologie vwo), les 2: Examentraining

ZELFREGULATIE · HORMONEN

Examentraining

Hormonale regulatie: zo pak je examenvragen aan

1 / 17
volgende
Slide 1: Slide
newEditorBiologieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 4-6

In deze les zitten 17 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min
Dit is niet oké

Introductie

Examentraining met vier vraagtypen en acht vragen: een regelkring in een schema, een grafiek lezen en rekenen, een context met sport of voeding en afleiden uit een tabel. Handig om eerst de uitleg te doen.

Onderdelen in deze les

ZELFREGULATIE · HORMONEN

Examentraining

Hormonale regulatie: zo pak je examenvragen aan

Les 2 van 3. Laat leerlingen in tweetallen overleggen bij de open vragen. Image credit: Sander van Ginkel / Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0

ZELFREGULATIE · HORMONEN

Wat ga je kunnen?

Ik kan een hormonale regelkring in een schema, grafiek of tabel analyseren en mijn antwoord onderbouwen met de juiste begrippen.

Deze slide heeft geen instructies

ZELFREGULATIE · HORMONEN

Zo pak je een examenvraag aan

  • 1. Lees: welke hormonen, klieren, waarden of weefsels staan in de opgave of in het schema?

  • 2. Zoek: wat stijgt of daalt, en welke pijl, lijn of kolom daarbij hoort.

  • 3. Redeneer: volg de keten van klier naar doelwitorgaan en terug naar de waarde.

  • 4. Schrijf: gebruik de begrippen en noem oorzaak en gevolg, bijvoorbeeld met omdat en daardoor.

Deze slide heeft geen instructies

Negatieve en positieve terugkoppeling in een hormonale regelkring

ZELFREGULATIE · HORMONEN

Vraagtype 1: een regelkring in een schema

  • Lees eerst het schema: welke waarde wordt geregeld en welke klier of welk orgaan reageert?

  • Volg elke pijl en bedenk: geeft meer van het ene meer of juist minder van het volgende?

  • Een pijl die de afwijking tegenwerkt, hoort bij een negatieve terugkoppeling.

  • Voorbeeld: meer schildklierhormoon remt de hypofyse, dus de afgifte van schildklierhormoon daalt.

Image credit: Eigen schema, LessonUp

Welke pijl heeft een remmend effect op de EPO-afgifte?

A

Pijl P

B

Pijl Q

C

Pijl R

D

Pijl S

Meer zuurstof in het bloed geeft minder EPO uit de nier, dus pijl P remt. Pijlen Q, R en S versterken: meer EPO geeft meer rode bloedcellen en die geven meer zuurstof. Verwachte fout: pijl S kiezen omdat die terugloopt naar het begin van de lus. Image credit: Eigen schema, LessonUp

Op grote hoogte daalt de zuurstofconcentratie. Wat volgt op termijn?

A

Minder EPO en dus meer rode bloedcellen

B

Meer EPO en dus minder rode bloedcellen

C

Minder EPO en dus minder rode bloedcellen

D

Meer EPO en dus meer rode bloedcellen

Een lage zuurstofconcentratie laat de nier meer EPO maken en het rode beenmerg meer rode bloedcellen. Verwachte fout: denken dat een laag zuurstofgehalte de EPO-afgifte remt. Image credit: Eigen schema, LessonUp

ZELFREGULATIE · HORMONEN

Vraagtype 2: een grafiek lezen en rekenen

  • Lees eerst de assen en de eenheden. Bij twee lijnen horen soms twee verticale assen: kijk welke lijn bij welke as hoort.

  • Zoek de hoogste en de laagste waarde en het tijdstip waarop ze optreden.

  • Bij een rekenvraag: schrijf eerst de formule op en gebruik de getallen uit de grafiek.

  • Verandering in procenten = (nieuw min oud) gedeeld door oud, maal 100%.

Deze slide heeft geen instructies

Hoeveel later dan de glucosepiek wordt de insulinepiek bereikt?

A

0 minuten

B

30 minuten

C

60 minuten

D

90 minuten

De glucosepiek (8 mmol/L) ligt bij 30 minuten, de insulinepiek (60 mE/L) bij 60 minuten: 30 minuten later. Verwachte fout: 60 minuten kiezen, de tijd van de insulinepiek zelf. Image credit: Eigen grafiek, LessonUp

Glucose: van 8 naar 6 mmol/L. Daling in %?

Antwoord: 25%. Berekening: (8 min 6) gedeeld door 8 is 0,25, dus 25%. Verwachte fout: 2 door 6 delen en 33% vinden, of de 2 mmol/L als percentage noteren.

Peloton tijdens een wielerwedstrijd

ZELFREGULATIE · HORMONEN

Vraagtype 3: een context met sport of voeding

  • Een context geeft een situatie, zoals een wedstrijd of een maaltijd. Haal eerst de waarde eruit die verandert.

  • Bepaal of die waarde stijgt of daalt en welk hormoon of welke klier daarop reageert.

  • Redeneer dan stap voor stap tot de uitwerking op het doelwitorgaan.

  • Controleer of je antwoord de afwijking tegenwerkt: dat past bij negatieve terugkoppeling.

Image credit: Sander van Ginkel / Wikimedia Commons, CC BY-SA 3.0

Een wielrenner fietst uren en de glucose daalt. Wat doen de eilandjes?

A

Minder insuline en meer glucagon

B

Meer insuline en minder glucagon

C

Meer insuline en meer glucagon

D

Minder insuline en minder glucagon

Bij een dalende glucoseconcentratie remmen de eilandjes de insuline-afgifte en geven ze meer glucagon af, zodat de lever glycogeen afbreekt. Verwachte fout: meer insuline kiezen omdat de wielrenner energie nodig heeft.

Vlak voor de start stijgt de hartslag van een sprinter. Welk hormoon speelt mee?

A

Insuline uit de eilandjes

B

EPO uit de nier

C

Adrenaline uit de bijnier

D

Glucagon uit de eilandjes

Bij spanning geeft de bijnier adrenaline af, waardoor de hartslag omhoog gaat. Verwachte fout: glucagon kiezen omdat dat bij sporten hoort.

ZELFREGULATIE · HORMONEN

Vraagtype 4: afleiden uit een tabel

  • Een doelwitorgaan reageert alleen als zijn cellen een passende hormoonreceptor hebben.

  • Lees in een tabel per hormoon welke weefsels een receptor hebben: alleen die weefsels reageren.

  • Lees steeds de kolom van het juiste hormoon en tel zorgvuldig mee.

Deze slide heeft geen instructies

Een klier geeft veel van hormoon X af. Welke weefsels reageren?

A

Weefsel Q en weefsel S

B

Weefsel P en weefsel R

C

Weefsel P, Q en R

D

Alleen weefsel R

In de kolom van hormoon X staat ja bij P en R. Verwachte fout: de kolom van hormoon Z lezen, waar P, Q en R ja hebben. Image credit: Eigen tabel, LessonUp

Op welk hormoon reageren de meeste weefsels?

A

Hormoon X

B

Hormoon Y

C

Alle drie evenveel

D

Hormoon Z

Hormoon Z heeft drie weefsels met een receptor (P, Q en R), X heeft er twee (P en R) en Y heeft er twee (R en S). Verwachte fout: denken dat R het hormoon met de meeste weefsels bepaalt; R heeft receptoren voor alle drie. Image credit: Eigen tabel, LessonUp

Welk vraagtype vind jij het lastigst?

1

Een regelkring in een schema

2

Een grafiek lezen en rekenen

3

Een context met sport of voeding

4

Afleiden uit een tabel

Bespreek het vraagtype met de meeste stemmen kort na met een voorbeeld.

ZELFREGULATIE · HORMONEN

Tips voor op het examen

  • Bepaal bij een regelkring eerst welke waarde wordt geregeld, en welke pijl de afwijking tegenwerkt.

  • Een klier maakt het hormoon, het doelwitorgaan reageert erop: noem ze niet door elkaar.

  • Rekenen met een grafiek: lees eerst de eenheid en de as af, schrijf dan de berekening stap voor stap op.

  • Insuline verlaagt en glucagon verhoogt de glucoseconcentratie; adrenaline verhoogt hem ook.

Deze slide heeft geen instructies