ich muss,kann, will, darf bewegen
ICH MUSS …/ kann/.../darf.....'/mag..../willl
Je bent 13 en het is 23.00 uur.
je bent te laat voor de les
jij bepaalt vanavond het menu voor het avondeten
een ijsje eten.
Je hebt morgen een proefwerk.
Je ouders zijn niet thuis.
Je hebt zin om Duits te leren 😉 aan welke modale werkwoord denk je als je aan de situatie denkt, kan je een zin in het Duits met dit modale werkwoord bedenken
Waarom sta je hier?
Zou dit in het Nederlands ook zo klinken?