hoofdstuk 6 - productie en markt

Noem de 4 productiefactoren
1 / 20
volgende
Slide 1: Open vraag
EconomieVoortgezet speciaal onderwijsLeerroute 3

In deze les zitten 20 slides, met interactieve quizzen.

Onderdelen in deze les

Noem de 4 productiefactoren

Slide 1 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is het verschil tussen arbeidsintensief en kapitaalintensief?

Slide 2 - Open vraag

Deze slide heeft geen instructies

Een supermarkt is een voorbeeld van een abstracte markt
A
juist
B
onjuist

Slide 3 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat bereken je met de formule
afzet x verkoopprijs?
A
omzet
B
toegevoegde waarde
C
nettowinst
D
brutowinst

Slide 4 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de bedrijfskolom?
A
Een soort organisatiestructuur van een onderneming.
B
Alle bedrijven die meewerken aan een product.
C
Een kolom in een kantoorgebouw.
D
Een grafische weergave van bedrijfsprocessen.

Slide 5 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

De volgende bedrijven vormen de bedrijfskolom van brood. Zet de bedrijven in de juiste volgorde:
1. Meelfabriek - 2. Graanboer - 3. Groothandel - 4. Bakker
A
1-2-4-3
B
3-2-1-4
C
2-3-1-4
D
2-1-3-4

Slide 6 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Noa koopt voor € 35.100 een nieuwe bedrijfsauto. De auto gaat acht jaar mee en is dan nog €3.100 waard. Per jaar is de afschrijving

A
€3.900
B
€4.000
C
€4.387,50
D
€4.200

Slide 7 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

BTW is een afkorting voor
A
Betalen Tegen Wil
B
Belasting Tussen Wegen
C
Belasting Tegen Waarde
D
Belasting Toegevoegde Waarde

Slide 8 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

In de voetbalkantine worden op een goede zaterdag 700 tosti's gekocht voor €1,50 per stuk. Inkoopkosten zijn €0,50 per stuk. Aan verzekeringen is de vereniging €150 kwijt en aan overige kosten €300. Wat is de nettowinst of nettoverlies van de voetbalkantine?
A
€250 nettowinst
B
€400 nettowinst
C
€600 nettowinst
D
€700 nettowinst

Slide 9 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is brutowinstopslag?
A
Een bedrag bovenop de inkoopprijs voor winst
B
Een bedrag bovenop de inkoopprijs voor extra kosten
C
Een bedrag dat van de inkoopprijs afgetrokken wordt
D
Een bedrag dat vaststaat en niet verandert

Slide 10 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Welke prijs is inclusief btw?
A
Inkoopprijs
B
Verkoopprijs
C
Consumentenprijs
D
Nettoresultaat

Slide 11 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Er staat een elektrische fiets voor € 2.049 in de etalage.
A
Dit is de inkoopprijs
B
Dit is de verkoopprijs
C
Dit is de consumentenprijs
D
Dit is het nettoresultaat

Slide 12 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de afzet?
A
Het aantal verkochte producten
B
de waarde van de verkochte producten
C
Het aantal producten dat je hebt ingekocht
D
De waarde van de producten die je hebt ingekocht

Slide 13 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Het nettoresultaat =
A
altijd inclusief BTW
B
altijd exclusief BTW

Slide 14 - Quizvraag

Omzet
Inkoopwaarde -
Brutowinst
Bedrijfskosten -
Nettoresultaat 
inkoopprijs + ... = ...
A
Brutowinstopslag, consumentenprijs
B
btw, verkoopprijs
C
btw, consumentenprijs
D
Brutowinstopslag, verkoopprijs

Slide 15 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat zijn maatschappelijke opbrengsten?
A
Nadelen die een bedrijf veroorzaakt, zoals geluidsoverlast en milieuschade
B
De winst die een bedrijf maakt
C
Voordelen die een bedrijf oplevert, zoals werkgelegenheid en productkeuzes
D
De kosten die een bedrijf maakt

Slide 16 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Er is meer vraag dan aanbod. Welk gevolg heeft dit?
A
Klanten bepalen de prijs
B
Verkopers bepalen de prijs

Slide 17 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies


Wat bepaalt de evenwichtsprijs?
A
Dat is afhankelijk van de inflatie
B
Dat wordt door de overheid bepaald
C
Dat wordt door vraag en aanbod bepaald
D
Dat is afhankelijk van de transparantie

Slide 18 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat is de evenwichtshoeveelheid?
A
Het aantal producten dat gevraagd wordt bij een hogere prijs.
B
Het aantal producten dat gevraagd en aangeboden wordt bij de evenwichtsprijs.
C
Het aantal producten dat alleen gevraagd wordt.
D
Het aantal producten dat alleen aangeboden wordt.

Slide 19 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies

Wat gebeurt er met de prijs als het aanbod toeneemt terwijl de vraag gelijk blijft?
A
De prijs stijgt.
B
De prijs blijft gelijk.
C
De prijs daalt.
D
De prijs wordt bepaald door de evenwichtsprijs.

Slide 20 - Quizvraag

Deze slide heeft geen instructies