Paragraaf 3 Arm en rijk

Par 3 Arm en rijk
1 / 50
volgende
Slide 1: Tekstslide
AardrijkskundeMiddelbare schoolvmbo b, kLeerjaar 1

In deze les zitten 50 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 2 videos.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

Par 3 Arm en rijk

Slide 1 - Tekstslide

Lezen
Basis: blz 60/61, stukje welvaart en welzijn
Kader/Mavo: stukje welvaart en welzijn

Slide 2 - Tekstslide

Leerdoelen
- Je kunt de vier basisbehoeften van een mens noemen.
- Je kent het verschil tussen formele en informele sector.
- Je kunt uitleggen waarom het ene gebied in India rijker is dan het andere.
- Je weet wat analfabetisme is.
- Je kunt de begrippen bruto nationaal product en bruto nationaal per inwoner.
- Je kunt verschillen in ontwikkeling tussen India en Nederland noemen.
- Je weet wat een krottenwijk is.
- Je kent de begrippen: basisbehoeften, analfabeet, informele en formele sector, verstedelijking, BNP, BNP per hoofd.

Slide 3 - Tekstslide

Quiz
Maar eerst gaan we kijken wat jullie nog weten van de vorige lessen.. 

Slide 4 - Tekstslide

In welk werelddeel ligt India?
A
Afrika
B
Azie
C
Noord-Amerika
D
Zuid-Amerika

Slide 5 - Quizvraag

De temperatuur onderaan een berg is 14 graden, de berg is 3 kilometer hoog. Wat is de temperatuur boven aan de berg?
A
6
B
-4
C
-10
D
2

Slide 6 - Quizvraag

Wat is een ander woord voor verstedelijking?
A
Urbanisatie
B
Suburbanisatie
C
Re-urbanisatie
D
Stedenbouwkunde

Slide 7 - Quizvraag

Wat is geen cultuurkenmerk?
A
Taal
B
Huidskleur
C
Feest
D
Godsdienst

Slide 8 - Quizvraag

Wat is na hindoeisme de meest voorkomende godsdienst in India?
A
Christendom
B
Jodendom
C
Boedhisme
D
Islam

Slide 9 - Quizvraag

Wie staan er bovenaan in het kastenstelsel?
A
Dalits
B
Brahmanen
C
Shudra's
D
Vaishya's

Slide 10 - Quizvraag

Mindmap
Pen en schrift op tafel, we gaan een mindmap maken over deze paragraaf. 

Slide 11 - Tekstslide

Basisbehoeften
Een mens heeft vier basisbehoeften. 
Voedsel, huisvesting, zorg en onderwijs. 
Iedereen moet elke dag voldoende kunnen eten en drinken, een dak boven zijn hoofd hebben, naar de dokter kunnen als dat moet en naar school kunnen om je te ontwikkelen. 
Niet iedereen in India heeft dit. 

Slide 12 - Tekstslide

Arm of rijk
We mogen eigenlijk wel zeggen dat als je dagelijks aan alle vier de basisbehoeften kunt voldoen, dat je rijk bent. Helaas is dat niet zo voor een heleboel mensen. 

Slide 13 - Tekstslide

Vraag
Hiernaast bijna dezelfde auto als die van meneer Smit. 
Het is een Opel, geen Audi of Ferrari. Maar toch vinden veel mensen dat je, als je deze auto kunt betalen, je rijk bent. Bepaal voor jezelf of je dat ook vindt. 
Kijk goed naar de prijs, en onthoud deze.

Slide 14 - Tekstslide

BNP
Van landen kunnen we ook zien of ze rijk zijn of niet.
We kijken dan naar het BNP, het bruto nationaal product.
Dat is kort gezegd: al het geld dat er in 1 jaar tijd in een land wordt verdiend. 
India heeft een heel hoog BNP. 
De VS hebben het hoogste BNP, gevolgd door India en China. Landen met veel inwoners hebben vaak een hoog BNP. Dat wil niet zeggen dat ook iedereen rijk is. Nederland staat op plek 23. Terwijl we niet zoveel inwoners hebben. 

Slide 15 - Tekstslide

BNP per hoofd
We kunnen om rijkdom in een land te meten, beter kijken naar het BNP per hoofd.
Dat is het BNP gedeeld door alle inwoners. Hiernaast ziet de tabel er dan anders uit dan de vorige. 
We zien India niet in de top 30. In Quatar verdient een inwoners jaarlijks 102000 dollar. Een Nederlander 43.300 dollar, dat is omgerekend bijna 40.000 euro. 

Slide 16 - Tekstslide

Slide 17 - Video

Arm of rijk?
De auto van meneer Smit is omgerekend 19381 dollar waard. Kijk in de tabel hiernaast welk land ongeveerd net zo'n BNP per hoofd heeft. 
De auto van meneer Smit is dan net zoveel waard als iemand zijn jaarinkomen. 
Ben je dan rijk of arm?
Kijk op de volgende slide wat het BNP per hoofd van India is. 

Slide 18 - Tekstslide

Quiz
Eens kijken wie er goed heeft opgelet..

Slide 19 - Tekstslide

Wat zijn de vier basisbehoeften van een mens?
A
Wifi, voedsel, zorg en geld
B
Mobieltje, wifi, onderwijs en onderdak
C
Zorg, voedsel, onderwijs en onderdak
D
Zorg, wifi, geld en onderwijs

Slide 20 - Quizvraag

Wat is de betekenis van BNP?
A
Binnenlands Nederlands Product
B
Bruto Nationaal Product
C
Bruto Nieuw Product
D
Buitenlands Nationaal Product

Slide 21 - Quizvraag

Wat betekent bnp per inwoner?
A
Het geld dat alle inwoners van een land in een jaar samen verdienen, gedeeld door het aantal inwoners van een land.
B
Het geld dat alle inwoners van een land in een jaar samen verdienen.
C
Het bnp gedeeld door het aantal mensen in een land dat werkt.
D
Het bnp gedeeld door het aantal mensen boven de 18 jaar in een land.

Slide 22 - Quizvraag

Welk land heeft een hoger BNP?
A
Kenia
B
Somalie
C
Ghana
D
Verenigde Staten van Amerika

Slide 23 - Quizvraag

En nu?
Check of alle behandelde leerdoelen op je mindmap staan.
Maak de vragen van paragraaf 2.
Bekijk de filmpjes over dit onderwerp. 

Slide 24 - Tekstslide

Par 3 Arm en rijk

Slide 25 - Tekstslide

Lezen
Basis: blz 60/61, stukje armoede en ongelijkheid.
Kader/Mavo: stukje armoede en ongelijkheid.

Slide 26 - Tekstslide

Leerdoelen
- Je kunt de vier basisbehoeften van een mens noemen.
- Je kent het verschil tussen formele en informele sector.
- Je kunt uitleggen waarom het ene gebied in India rijker is dan het andere.
- Je weet wat analfabetisme is.
- Je kunt de begrippen bruto nationaal product en bruto nationaal per inwoner.
- Je kunt verschillen in ontwikkeling tussen India en Nederland noemen.
- Je weet wat een krottenwijk is.
- Je kent de begrippen: basisbehoeften, analfabeet, informele en formele sector, verstedelijking, BNP, BNP per hoofd.

Slide 27 - Tekstslide

Quiz
Maar eerst gaan we kijken wat jullie nog weten van de vorige lessen.. 

Slide 28 - Tekstslide

Wat is geen cultuurkenmerk?
A
Taal
B
Favoriete kleur
C
Feest
D
Godsdienst

Slide 29 - Quizvraag

De temperatuur onderaan een berg is 26 graden, de berg is 2 kilometer hoog. Wat is de temperatuur boven aan de berg?
A
6
B
14
C
-10
D
9

Slide 30 - Quizvraag

Wat zijn de vier basisbehoeften van een mens?
A
Wifi, voedsel, zorg en geld
B
Mobieltje, wifi, onderwijs en onderdak
C
Zorg, voedsel, onderwijs en onderdak
D
Zorg, wifi, geld en onderwijs

Slide 31 - Quizvraag

Wat is de betekenis van BNP?
A
Binnenlands Nederlands Product
B
Bruto Nationaal Product
C
Bruto Nieuw Product
D
Buitenlands Nationaal Product

Slide 32 - Quizvraag

Wie staan er bovenaan in het kastenstelsel?
A
Dalits
B
Brahmanen
C
Shudra's
D
Vaishya's

Slide 33 - Quizvraag

Mindmap
Pen en schrift op tafel, we gaan een mindmap maken over deze paragraaf. 

Slide 34 - Tekstslide

Slide 35 - Link

Bestaansmiddelen
Waar mensen werken noemen we bestaansmiddelen.
Die verdelen we in drie sectoren: 
1. Landbouw, visserij en mijnbouw, 
2. Industrie. 3. Dienstensector.
In India werken veel mensen in de landbouw. In Nederland werken de meeste mensen in de dienstensector.
Veel Indiers werken in de landbouw, ze verbouwen voedsel voor hun gezin en wat ze overhouden verkopen ze. Op het plaatje zie je een Indier ploegen met zijn ossen. Veel boeren hebben geen geld voor landbouwmachines. 

Slide 36 - Tekstslide

Rijke en arme landen
In rijke landen werken er veel mensen in de dienstensector.
In arme landen juist veel mensen in de landbouw. Er is geen geld voor landbouwmachines. 
Op de kaart zie je een aantal landen en de bestaansmiddelen.
In de VS veel mensen in de dienstensector, de VS zijn rijk. In Nigeria veel mensen in de landbouw. Nigeria is een arm land.

Slide 37 - Tekstslide

Trek naar de stad
Veel mensen in arme landen trekken naar de stad. Zo ook in India. Deze mensen zijn op zoek naar een beter bestaan. 
Zo ontstaat er verstedelijking. De steden in India groeien als kool. 

Slide 38 - Tekstslide

Informele sector
Veel mensen die naar de steden trekken kunnen niet lezen en schrijven, ze zijn analfabeet. Ze komen aan het werk in de informele sector. Ze krijgen baantjes als schoenenpoetser of vuilraper. Ze betalen geen belasting, maar bouwen ook geen pensioen op. 

Slide 39 - Tekstslide

Slums
Veel mensen die naar steden trekken komen terecht in sloppenwijken. In India noemen we die slums. Door de trek naar de stad en de grote bevolkingsgroei, ontstaan er sloppenwijken. 

Slide 40 - Tekstslide

Slide 41 - Video

Ongelijke kansen
Als je naar school bent geweest in India, heb je veel meer kans op een baan. Zeker als je Engels spreekt. De analfabeten zijn vrijwel kansloos om een goede baan te krijgen. 
Hier boven een kaartje met analfabetisme in de wereld. India is oranje gekleurd. Tussen de 40 en 59% is daar analfabeet. 

Slide 42 - Tekstslide

Quiz
Eens kijken wie er goed heeft opgelet..

Slide 43 - Tekstslide

Wanneer is iemand analfabeet?
A
Als hij niet kan lezen
B
Als hij niet kan rekenen
C
Als hij niet kan rekenen en lezen
D
Als hij niet kan lezen en schrijven

Slide 44 - Quizvraag

Hoe noemen we de drie bestaansmiddelen?
A
Landbouw, industrie en toerisme
B
Toerisme, industrie en horeca
C
Voetbal, horeca en diensten
D
Landbouw, industrie en diensten

Slide 45 - Quizvraag

Welke beroepen uit het rijtje komen voor in de informele sector? 
Er zijn drie antwoorden juist.
Juist
Onjuist
Vuilnisraper
Onderwijzer
Boer
Soldaat
Schoenpoetser
straatmuzikant

Slide 46 - Sleepvraag

Hoe noemen we een sloppenwijk in India?
A
Favela
B
Getto
C
Sloppenwijk
D
Slum

Slide 47 - Quizvraag

Wat zijn drie goede redenen voor Europese computerbedrijven om werk uit te besteden aan Indiërs? Sleep 3 redenen naar juist en 2 naar onjuist.
Juist
Onjuist
Indiërs zijn nauwkeurig en geduldig.
Het kastenstelsel is een belastingvrij systeem.
De Indiërs leren al jong op school met computers te werken.
Veel Indiërs spreken goed Engels, omdat India vroeger een Engelse kolonie was.
India is een lagelonenland.

Slide 48 - Sleepvraag

Wat hoort niet bij de informele sector?
A
Zelfgecreëerde baan
B
Geen belasting
C
Pensioenopbouw
D
Laag inkomen

Slide 49 - Quizvraag

En nu?
Rustig aan de slag met de vragen van paragraaf 1 tm 3. 


Slide 50 - Tekstslide