Eenheden van tijd en snelheid en verhoudingen

Eenheden van tijd en snelheid
en verhoudingen
1 / 31
volgende
Slide 1: Tekstslide
WiskundeMiddelbare schoolvmbo g, t, mavoLeerjaar 3

In deze les zitten 31 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Eenheden van tijd en snelheid
en verhoudingen

Slide 1 - Tekstslide

in deze les leer je....


....rekenen met tijd  
....rekenen met snelheid
....rekenen met verhoudingen

Slide 2 - Tekstslide

welke eenheden
van tijd ken je?

Slide 3 - Woordweb

eenheden van tijd

millennium = 1000 jaren
eeuw = 100 jaren
decennium = 10 jaren
1 jaar = 4 kwartalen = 12 maanden= 365 dagen
1 week = 7 dagen
1 dag = 24 uren
1 uur = 60 minuten
1 minuut = 60 seconden

Slide 4 - Tekstslide

rekenen met eenheden van tijd


... dag(en) 
... uren 
... minuten 



voorbeeld:
27,4 uren is

Slide 5 - Tekstslide

rekenen met eenheden van tijd

1 dag 

3 uren 

24 minuten 



24 uren is 1 dag
je houdt 3 hele uren over: 27,4-24 = 3,4 uur
voorbeeld:
27,4 uren is
je houdt 0,4 uren over: 3,4 -3 = 0,4 uur
0,4 x 60 = 24 minuten 

Slide 6 - Tekstslide

rekenen met eenheden van tijd
125 minuten is
... uren  en 
... minuten 

Slide 7 - Tekstslide

rekenen met eenheden van tijd
125 minuten is
2 uren (2 x 60 =120 minuten) en 
5 minuten (125-120=5 minuten)

Slide 8 - Tekstslide

rekenen met eenheden van tijd
13,9 uren is
 ... uren en 
... minuten 

Slide 9 - Tekstslide

rekenen met eenheden van tijd
13,9 uren is
 13 uren en 
54 minuten (0,9 x 60 = 54 minuten)

Slide 10 - Tekstslide

125 minuten = .....uren en ..... minuten

Slide 11 - Open vraag

rekenen met eenheden van tijd
5,6 jaren is
 ... jaren en 
 ... dagen 

Slide 12 - Tekstslide

rekenen met eenheden van tijd
5,6 jaren is
 5 jaren en 
 219 dagen (0,6 x 365 = 219 dagen)

Slide 13 - Tekstslide

rekenen met eenheden van tijd
220 seconden is
 ... minuten en 
... seconden 

Slide 14 - Tekstslide

rekenen met eenheden van tijd
220 seconden is
 3 minuten (3x 60 =180 seconden) en 
40 seconden (220 -180 = 40 seconden)

Slide 15 - Tekstslide

220 seconden = .....minuten
en ..... seconden

Slide 16 - Open vraag

13,9 uren = ....uren en .... minuten

Slide 17 - Open vraag

5,6 jaren = ....jaren en .... dagen

Slide 18 - Open vraag

eenheden van snelheid
kilometer per uur (km/u)
meter per seconde (m/s)

km/u = m/s x 3,6
m/s = km/u : 3,6


Slide 19 - Tekstslide

130 km/u=
A
36,1 m/s
B
468 m/s

Slide 20 - Quizvraag

14 m/s=
A
3,9 km/u
B
50,4 km/u

Slide 21 - Quizvraag

Verhoudingen

Slide 22 - Tekstslide

Verf mengen
3 delen blauw en 5 delen geel
totaal? 
8 delen groen
verhouding? 
3:5 (spreek uit als 3 staat tot 5)

Slide 23 - Tekstslide

Verf mengen
3 delen blauw en 5 delen geel
Ik wil 1000 mL groene verf  maken, hoeveel blauwe verf en gele verf heb ik nodig?

Slide 24 - Tekstslide

Verf mengen
3 delen blauw en 5 delen geel
blauw
3
geel
5
groen
8
1
1000
Ik wil 1000 mL groene verf  maken, hoeveel ml blauwe verf en gele verf heb ik nodig?

Slide 25 - Tekstslide

Verf mengen
3 delen blauw en 5 delen geel
blauw
3
geel
5
groen
8
1
1000
Ik wil 1000 mL groene verf  maken, hoeveel blauwe verf en gele verf heb ik nodig?
5:8×1000=625mL
3:8×1000=375mL
Dus 375 mL blauwe verf en 625 mL gele verf

Slide 26 - Tekstslide

Verf mengen
3 delen blauw en 5 delen geel
Wat is het percentage blauwe verf? 

Slide 27 - Tekstslide

Verf mengen
3 delen blauw en 5 delen geel
Wat is het percentage blauwe verf? 
%
100
delen
8
1
3

Slide 28 - Tekstslide

Verf mengen
3 delen blauw en 5 delen geel
Wat is het percentage blauwe verf? 
Dus 37,5% van de verf is blauw
%
100
delen
8
1
3
procentblauw=100:8×3=37,5

Slide 29 - Tekstslide

Noem 2 dingen die je geleerd hebt deze les

Slide 30 - Open vraag

Wat vind je nog moeilijk aan deze les?

Slide 31 - Open vraag