IV Thema 4 bvpk Zorg aan het spijsverteringsstelsel: 3.1 3.2 3.3 3.4 (studentenversie)

Sylvester Vanden Eede

13/10/2026

Thema 1: basisverpleegkunde

Hoofdstuk 3: zorg aan het spijsverteringsstelsel

1 / 53
volgende
Slide 1: Slide
newEditorVerpleegkundeHoger onderwijsGraduaatStudiejaar 1

In deze les zitten 53 slides, met tekstslides.

time-iconLesduur is: 200 min
Dit is niet oké

Onderdelen in deze les

Sylvester Vanden Eede

13/10/2026

Thema 1: basisverpleegkunde

Hoofdstuk 3: zorg aan het spijsverteringsstelsel

Deze slide heeft geen instructies

Hoofdstukken

  • 3.1 Overzicht organen spijsverteringsstelsel

  • 3.2 Functies spijsverteringsstelsel

  • 3.3 Mondholte

  • 3.4 Keelholte

  • 3.5 Slokdarm

  • 3.6 Maag

  • 3.7 Dunne darm

  • 3.8 Dikke darm

  • 3.9 De organen betrokken bij de spijsvertering

Deze slide heeft geen instructies

3.1 Overzicht organen spijsverteringsstelsel

Het spijsverteringsstelsel bestaat uit volgende delen:

1. Cavum oris (mondholte)

2. Farynx

3. Oesofagus

4. Gaster

5. Intestinum tenue

6. Intestinum crassum

Deze slide heeft geen instructies

3.1 Overzicht organen spijsverteringsstelsel

De organen die betrokken zijn bij het spijsverteringsstelsel:

1. Pancreas (alvleesklier)

  1. Hepar (lever)

  2. Vesica fellea (galblaas)


==> Leerstof VB module

Deze slide heeft geen instructies

3.2 Functies spijsverteringsstelsel

  1. Verteren: mechanisch en chemisch afbreken van voedsel tot voedingsstoffen (nutriënten)

  2. Resorptie: opname van voedingsstoffen via de darmwand, bloed- en lymfevaten.

  3. Uitscheiden: onverteerbare en onverteerde voedselresten verwijderen = stoelgang.

Voedingsstoffen: natuurlijke bestanddelen noodzakelijk voor het lichaam. Leveren energie en zijn belangrijk voor opbouw van weefsels en cellen en reguleren functies in het lichaam.

3.2 Functies spijsverteringsstelsel

  1. Verteren:

  • Mechanische vertering: verteren van voedsel door beweging (kauwen en kneden). Er wordt een voedselbrok of bolus gevormd.

  • Chemisch verteren: verteren van voedsel door enzymen. Deze enzymen zitten in spijsverteringssappen. Deze sappen worden door klieren uitgescheiden (bijv. speekselklieren). Deze enzymen verkleinen als het ware de moleculeketens van het voedsel. Eiwitten, koolhydraten en vetten worden chemisch verteerd.


==> Peristaltiek!

Onwillekeurige spiercontracties. De spieren voor de voedselbrok spannen samen terwijl de spieren na de voedselbrok ontspannen waardoor de brok wordt verder geduwd. Lengtespieren en kringspieren maken dit mogelijk.



Deze slide heeft geen instructies

3.2 Functies spijsverteringsstelsel

  1. Resorptie: opname van voedingsstoffen (dunne darm) & vocht (dikke darm).



Deze slide heeft geen instructies

3.2 Functies spijsverteringsstelsel

Functies van voedsel:

  • Psychosociale functie: emotionele stimulans ==> sociale functie, gezelligheid, samenzijn,...

Deze slide heeft geen instructies

3.2 Functies spijsverteringsstelsel

Functies van voedsel:

  • Fysiologische functie:

    • Metabolisme: opbouwen en afbreken van stoffen door chemische reacties. Verloopt optimaal door voedingsstoffen: eiwitten, vetten verteerbare koolhydraten, vezels (niet verteerbare koolhydraten), water, vitamines, mineralen of sporenelementen.

      • Anabolisme: opbouwen: bijv. opbouwen van lichaamseiwitten uit aminozuren

      • Katabolisme: afbraak: ontstaan van energie door bijv. verbranding van glucose

Mineralen: ijzer, zink, jodium, selenium, koper, chroom ==> lichaam maakt ze niet zelf aan maar moeten we via voeding opnemen.

3.2 Functies van het spijsverteringsstelsel

Toediening van voeding:

  • Enterale voeding: via maag- darmstelsel

    • Per os: via de mond: vast, halfvast en vloeibaar.

    • Per sonde via de neus: sondevoeding.

    • Per sonde via een stoma/fistel naar maag of dunne darm: gastrostomie, jejunostomie

      • Stoma/fistel: kunstmatige verbinding door middel van een sonde tussen maagdarmstelsel en de buitenwereld.

Deze slide heeft geen instructies

Gastrostomiesonde

Nasogastrische sonde

Deze slide heeft geen instructies

3.2 Functies van spijsverteringsstelsel

  • Parenteraal: toedienen van voedingsstoffen via de bloedsomloop of intraveneus. Bijv. bij een comateuze patiënt.

Deze slide heeft geen instructies

3.2 Functies van het spijsverteringsstelsel

Consistentie van voeding:

  • Vaste voeding

  • Half-vaste voeding: gemalen, gemixt of gepureerd

    • Indicatie: kinderen, ZV met slikstoornissen, kauwproblemen, zieke of vermoeide ZV

  • Vloeibare voeding:

    • Indicatie:

      • Niet mogen of niet kunnen kauwen door:

        • Kaakbeenfractuur

        • Aftosis

        • Keelaandoeningen

      • Slechte algemene toestand

Deze slide heeft geen instructies

3.2 Functies van het spijsverteringsstelsel

Hulpmiddelen tijdens de maaltijd:

LEZEN!

Deze slide heeft geen instructies

3.2 Functies van het spijsverteringsstelsel

Observeren en beoordelen van de voedingstoestand van de ZV

Soorten voedingstoestanden:

  • Goede voedingstoestand

  • Ondervoeding

  • Overgewicht

Deze slide heeft geen instructies

3.2 Functies van het spijsverteringsstelsel

  • Goede voedingstoestand:

    • Goede eetlust

    • Normaal gewicht

    • BMI tussen 20 en 25 kg/m²

    • Gelijkmatig verdeeld subcutaan vet

    • Elastische huid

Deze slide heeft geen instructies

3.2 Functies van het spijsverteringsstelsel

Wat is ondervoeding?

Acuut of chronisch tekort aan bouwstoffen en/of brandstoffen en/of beschermende stoffen. Er worden te weinig voedingsstoffen opgenomen om het metabolisme goed te laten werken.


Twee niveaus:

  1. Verminderde voedingstoestand of eiwitondervoeding

  2. Cahexie of chronische energetische ondervoeding

Deze slide heeft geen instructies

3.2 Functies van het spijsverteringsstelsel

  1. Verminderde voedingstoestand of eiwitondervoeding:

  • Bijv. na een operatie ==> hoge energiebehoefte en versterkte eiwit afbraak = kans op ondervoeding.

  • Symptomen:

    • Gewichtsverlies

    • Onvoldoende aanwezigheid van subcutaan vetweefsel

    • Slechte eetlust

    • Weinig weerstand


Deze slide heeft geen instructies

3.2 Functies van het spijsverteringsstelsel

2. Cahexie of chronische energetische ondervoeding:

  • Bij ZV met anorexia nervosa en terminale ZV

  • Symptomen:

    • Sterke vermagering

    • Geen vet

    • Spieratrofie

    • Verminderde elasticiteit van de huid

    • Psychische en fysische zwakte

    • Vrouwen: amenorroe

Deze slide heeft geen instructies

3.2 Functies van het spijsverteringsstelsel

Wat is overgewicht?

Ander woord: obesitas. BMI tussen 25 en 30 kg/m² en te veel subcutaan vetweefsel.

Dit is een ziekte als gevolg van een overdreven vetophoping in het lichaam. Het is een chronische ziekte die multifactorieel bepaald wordt: sociale, psychologische, economische, metabole en omgevingsfactoren spelen een rol. Het is schadelijk voor het volledige lichaam, omdat het normaal metabolisme verstoord wordt en de werking van vele organen.

Deze slide heeft geen instructies

3.2 Functies van het spijsverteringsstelsel

Functies van vocht in het lichaam:

  • Algemeen: lichaam bestaat uit 60% vocht. Uitscheiding via urine, stoelgang, uitademing en transpiratie. Terug aanvullen van het verlies.

  • Functies:

    • Bouwstoffen voor alle weefsels

    • Grondstof aanmaak lichaamssappen

    • Temperatuurregeling

    • Transportmiddel


Deze slide heeft geen instructies

3.2 Functies van het spijsverteringsstelsel

Dagelijks aanbevolgen hoeveelheid vocht:

  • 2-3L vocht door eten en drinken

  • Voedsel: 1 tot 1,5l vocht per dag

  • Volwassene dus: 1,5L water drinken per dag

  • Volwassenen: dorstgevoel = lichaam geeft aan om de drinken

  • Kinderen GEEN dorstgevoel

  • Geriatrische ZV: dorstgevoel NEEMT AF

Deze slide heeft geen instructies

3.2 Functies van het spijsverteringsstelsel

Preventieve maatregelen bij dehydratatie:

Algemeen: baby’s, kinderen, ouderen en hulpbehoevende meer kans op dehydratatie.

Ouderen: door fysiologische veranderingen hebben ouderen meer kans op dehydratatie. Dit zeker in combinatie met pathologie en medicatiegebruik. Ook bij warme dagen stijgt de kans op dehydratatie. Mortaliteit = HOOG!! 40% is acuut, 60% combinatie met infectie.


Deze slide heeft geen instructies

3.2 Functies van het spijsverteringsstelsel

  • Preventie:

    • Ingaan op dorstgevoel

    • Voldoende vocht aanbieden

    • Drank binnen handbereik

    • Urine observeren

    • Uitscheidingspatroon observeren

    • Dagboek bijhouden

    • Welke medicatie neemt mijn ZV?

    • Huidturgor observeren

    • Pathologie?

Deze slide heeft geen instructies

3.2 Functies van het spijsverteringsstelsel

Vochtbalans:

= Registratie van input en output vochtbalans.

Input = alles wat de ZV opneemt (enteraal EN parenteraal)

Output= alles wat de ZV uitscheidt (urine EN drainagevochten)

Deze slide heeft geen instructies

3.2 Functies van het spijsverteringsstelsel

  • Aandachtspunten bij opmaak vochtbalans:

    • ZV laten urineren op moment van start VB. Deze urine NIET meerekenen.

    • Andere vochten worden ook verwijderd bij de start van VB (wondvocht, maagvocht)

    • 24u meten!

    • Vochten op einduur wel meerekenen!

  • Normaal= homeostase. Verschil input en output MAX 500ml. Verschil groter = stoornis VB.

==> Goede hydratatie, dehydratatie of overvulling

Deze slide heeft geen instructies

3.2 Functies van het spijsverteringsstelsel

Deze slide heeft geen instructies

3.2 Functies van het spijsverteringsstelsel

Dehydratatie:


Deze slide heeft geen instructies

3.2 Functies van het spijsverteringsstelsel

  • Overvulling: teveel vocht aanwezig in de weefsels. Input>output



Deze slide heeft geen instructies

In DUO maak je volgende oefeningen:

OEFENING P68 VB MEVR. DEBREE
OEFENING P70 VB RONALD

15

minute

00

second

Deze slide heeft geen instructies

3.3 Mondholte (Cavum Oris)

  • Start spijsvertering

  • Mondholte wordt begrensd door:

    • De wangen met kauwspieren, mondbodemspieren en lippen

    • Palatum Durum (hard gehemelte) en palatum molle (zacht gehemelte)

    • Lingua (tong)

    • Farynx (keelholte)

  • Speekselklieren (glandulae)

  • Slijmvliesepitheel

Deze slide heeft geen instructies

3.3 Mondholte (Cavum Oris)

  1. Cavum Nasi

  2. Cavum Oris

  3. Farynx

  4. Palatum durum

  5. Palatum Molle

  6. Uvula

  7. Lingua

  8. Hyoïd

  9. Mandibula

  10. Maxilla

Deze slide heeft geen instructies

3.3 Mondholte (Cavum Oris)

  • Functies tong:

    • Voedsel kneden en vermengen met speeksel

    • Slikken

    • Reinigen gebit

    • Smaak

    • Spraak

Deze slide heeft geen instructies

3.3 Mondholte (Cavum Oris)

  • Palatum (gehemelte):

    • Palatum durum:

      • Stevige ondergrond om voedsel tegenaan fijn te drukken tijdens het kauwen

      • Spraakklanken

    • Palatum molle:

      • In rusttoestand hangt dit over de lingua en sluit cavum oris van de farynx af.

      • Uvula in het midden


Deze slide heeft geen instructies

3.3 Mondholte (Cavum Oris)

  • Glandulae:

= Trosvormige klieren met afvoergangen naar de mond. Produceren 1,5l speeksel per dag.

  • Speeksel bestaat uit:

    • Slijm: slikken voedsel

      • Water: aanlengen voedsel

      • Speekselamylase: eerste vertering koolhydraten

    • Speeksel 2 functies:

      • Gedeeltelijk verteren koolhydraten

      • Reinigen mond

    • Speekselafscheiding = reflexmatig:

      • Zintuigelijk: voedsel zien, ruiken, eraan denken

      • Mechanisch: aanraking van voedsel met het slijmvlies in de mond


Deze slide heeft geen instructies

3.4 Keelholte

= Buisvormige ruimte dat zich achter de neus- en mondholte bevindt.


Van boven naar beneden zien we volgende delen:

  • Nasofarynx = neus- keelholte. Achter de cavum nasi. Bestaat uit lymfatisch weefsel; de neusamandel (adenoïd). Hier monden ook de twee buizen van Eustachius uit die de farynx verbind met het middenoor.

  • Orofarynx = mond- keelholte. Achter cavum oris. Bestaat uit lymfatisch weefsel; keelamandelen (tonsillen) en de tongamandel.

  • Laryngofarynx = strottenhoofd- keelholte. Achter het strottenhoofd (larynx). Kruising oesofagus en trachea.

Deze slide heeft geen instructies

3.4 Keelholte

A. Nasofarynx

B. Orofarynx

C. Laryngofarynx


  1. Adenoïd 7. Larynx

  2. Tonsillen 8. Oesofagus

  3. Tongamandel 9. Trachea

  4. Buis van Eustachius

  5. Uvula

  6. Epiglottis

Van boven naar beneden zien we volgende delen:

Nasofarynx = neus- keelholte. Achter de cavum nasi. Bestaat uit lymfatisch weefsel; de neusamandel (adenoïd). Hier monden ook de twee buizen van Eustachius uit die de farynx verbind met het middenoor.

Orofarynx = mond- keelholte. Achter cavum oris. Bestaat uit lymfatisch weefsel; keelamandelen (tonsillen) en de tongamandel.

Laryngofarynx = strottenhoofd- keelholte. Achter het strottenhoofd (larynx). Kruising oesofagus en trachea.

3.4 Keelholte

  • Functie van de keelholte:

    • Voorkomen dat tijdens het slikken voedsel in de trachea terecht komt.

Deze slide heeft geen instructies

3.4 Keelholte

Het slikproces:



Stap 1: de orale fase
De verplaatsing van de mondholte naar de keelholte. Het slikken begint met een beweging van de tong omhoog en naar achteren. Die beweging drukt het voedsel tegen de keelwand. Hierbij wordt de weg naar de neusholte afgesloten door de huig.  


Stap 2: de faryngale fase
De verplaatsing van de keelholte naar de slokdarm. De faryngale fase gebeurt reflexmatig. De weg naar de mondholte is afgesloten door de tong. De weg naar de neusholte wordt afgesloten doordat het weke gehemelte en de huig worden opgetrokken. De tong drukt het strotklepje (epiglottis) naar beneden. Dat sluit de weg naar de luchtpijp af.
 


Stap 3: de oesofagale fase
De verplaatsing door de slokdarm naar de maag. Het voedsel wordt door de peristaltische bewegingen van de slokdarm voortbewogen. Door een reflex wordt het deel van de slokdarm boven de bolus samengeknepen, terwijl het deel onder de bolus ontspant. Daardoor wordt bolus verder geduwd.  


Stap 4: de bolus komt de maag binnen (deze stap behoort niet meer tot het proces van slikken) Figuur : het slikproces



Deze slide heeft geen instructies

Oorzaken slikproblemen


Deze slide heeft geen instructies

3.4 Keelholte

Prevalentie slikproblemen:

  • In acute zorg: 33%

  • Ouderenzorg: 66%


==> Als VPK belangrijk om voldoende kennis te hebben over slikproblemen, goed te observeren en goede interventies toe te passen. Zo kun je grote en mogelijks fatale gevolgen voorkomen.

Deze slide heeft geen instructies

3.4 Keelholte

Oorzaken slikproblemen:

  • Verouderen

  • Neurologische aandoeningen (CVA, Parkinson, MS, ALS)

  • Cognitieve problemen (dementie)

  • Kanker

  • Bijwerkingen van medicatie (curare)

  • Mechanische problemen: vernauwingen door bijv. divertikel van zenker

Deze slide heeft geen instructies

3.4 Keelholte

Observaties van slikproblemen:

  • Verslikken, hoesten, kuchen tijdens eten of drinken

  • Moeite met bewegen van de tong of met kauwen

  • Slechte coördinatie tussen ademhalen en slikken

  • …


==> Belangrijk als VPK te weten wie slikproblemen heeft vooraleer we hulp bieden tijdens de maaltijd. Check het VPK dossier & check de maaltijdplateau van de ZV.

Deze slide heeft geen instructies

3.4 Keelholte

VPK acties om verslikken te voorkomen en acties om toe te passen:

Pas steeds volgende acties toe wanneer je hulp biedt tijdens de maaltijd:

  • Informeer jezelf (VPK dossier)

  • Proper gebit en mond

  • Rustige omgeving

  • Controle na iedere hap ==> ingeslikt?

  • Mond proper na de hap?

  • Rechte houding

  • Niet spreken

  • Tijd geven om te slikken

  • Vast en vloeibaar apart

  • Tuitbeker/rietjes vermijden

  • Indikken indien aangewezen

  • Verslikken = vragen tot hoesten

  • Steeds begeleiden bij alle maaltijden

  • Medicatie met sliksiroop

Een tuitbeker lijkt handig, maar dwingt de gebruiker tot een verkeerde lighouding van het hoofd en de tong.


Rietjes veranderen de snelheid en de plaats waar het vocht in de mond komt.

Handelingen tijdens het verslikken

Deze slide heeft geen instructies



Deze slide heeft geen instructies

3.4 Keelholte

Gevolgen slikproblemen:

  • Ernstige dyspnoe en dreigende verstikking

  • Eénzijdige voeding of onvoldoende voeding ==> ondervoeding

  • Achteruitgang fysieke en mentale conditie

  • Aspiratie- of slikpneumonie


Wat is een slikpneumonie?

Longontsteking die ontstaat door opneming van kleine voedingsdelen in de longen. Dit kan ook door vloeistoffen zoals drinken, braaksel,…

Deze slide heeft geen instructies

3.4 Keelholte

Oorzaken slikpneumonie:

Bij ZV’s met afwezigheid van de ademhalingsreflex of hoestreflex:

  • Comateuze ZV

  • ZV met slechte mondhygiëne

  • Na narcose

  • Neurologische aandoeningen

  • Slikproblemen

Deze slide heeft geen instructies

3.4 Keelholte

Observaties slikpneumonie:

  • Koorts

  • Pijn bij AH

  • Hoesten met pijn op de borst

  • Dyspnoe

  • Tachycardie

  • Piepende AH

  • Reutelende AH

  • Ophoesten van etterig slijm

  • AAT

Deze slide heeft geen instructies

3.4 Keelholte

Behandeling:

Onbehandeld ==> longabces of langdurige schade aan de longen.


  • Medicamenteus: antibiotica + corticosteroïden (meestal IV)

  • Soms nood aan ICU (intensive care unit) ==>ademhalingsondersteuning

Deze slide heeft geen instructies

Bedankt om te luisteren!

Deze slide heeft geen instructies