3M Week 38 les 1

3M week 38 les 1
Please sit down, put your books on the table
 and start reading in your reading books. If you have not listed your readingbook yet please do so. 
1 / 38
volgende
Slide 1: Tekstslide
EngelsMiddelbare schoolmavoLeerjaar 3

In deze les zitten 38 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 80 min

Onderdelen in deze les

3M week 38 les 1
Please sit down, put your books on the table
 and start reading in your reading books. If you have not listed your readingbook yet please do so. 

Slide 1 - Tekstslide

Lesson 4
You are going to start lesson 4 do excercise 29. We will do 30 together and then you will do 32ab

Slide 2 - Tekstslide

Grammar

Slide 3 - Tekstslide

Slide 4 - Tekstslide

Forms
The form 'used to' is used with all subjects:

I used to live
He/she/it used to live
we used to live
you used to live
they used to live

Slide 5 - Tekstslide

We ___ comics every day but now we only read novels,
A
used to read
B
used to reading
C
used to reads
D
used reading

Slide 6 - Quizvraag

My cousins ___ to this school.
A
used to went
B
used to going
C
used to go
D
used to goes

Slide 7 - Quizvraag

Used to
Hoe maak je deze vorm?
Used to + werkwoord

I used to be small.
She used to have braces.
We used to play football.



Slide 8 - Tekstslide

Vul de vorm van used to in.

1 ____ (she - to eat) meat.

Slide 9 - Open vraag

Vul de vorm van used to in.

2 ____ (we - come) here.

Slide 10 - Open vraag

Vul de vorm van used to in.

3 ____ (They - live) there.

Slide 11 - Open vraag

Now do it yourself
You have to do excercises 33a
timer
10:00

Slide 12 - Tekstslide

Question Tags
Korte vraagjes

Slide 13 - Tekstslide

Question Tags
Grammar is cool, isn't it?
Hierboven zie je een voorbeeld van een question tag. 
Een question tag is de korte vraag aan het einde van de zin. 
Je vraagt eigenlijk: 'klopt dat?' of 'Ben je het ermee eens?' 
In het Nederlands gebruik je dan: 'vind je niet?', 'toch?', 'hè?' 
 In het Engels is er een regel voor het maken van deze  
question tags. 

Slide 14 - Tekstslide

Question Tags
Hoe maak je een question tag? 
De regel: 
 
Na een bevestigende zin (+) is de tag ontkennend (-) 
Na een ontkennende zin (-) is de tag bevestigend (+)

Slide 15 - Tekstslide

Question Tags
Voorbeelden: 
He is a teacher at this school, isn't he? 
(Zin voor de komma = + dus na de komma = - ) 
 
They can't speak Dutch, can they? 
(zin voor de komma = - dus na de komma = + )

Slide 16 - Tekstslide

Question tags
Als je een question tag wilt maken moet je werkwoorden uit het eerste deel van de zin herhalen.  
Dit zijn de vormen van het werkwoord to be (am/is/are) of hulpwerkwoorden (can, have, Should, could, would) 
Als deze woorden niet in het eerste gedeelte staan moet je do/does of did gebruiken in de question tag. 
(do/does = tegenwoordige tijd en did = verleden tijd)

Slide 17 - Tekstslide

Question Tags
Voorbeelden 
They are working hard, aren't they?  
You can speak English, can't you? 
We need to study this for the test, don't we?  
They work together, don't they? 
She sings in that pop group, doesn't she? 
He doesn't go to school every day, does he?

Slide 18 - Tekstslide

Question tags
Naast dat je het werkwoord uit het eerste gedeelte herhaalt moet je ook het onderwerp herhalen. 
Het onderwerp van de zin moet je soms vervangen door I, you, he, she, it, we, they of there. 
Staat er een naam of bijvoorbeeld 'The boy' of 'The girl' dan moet je in de question tag he of she gebruiken. 

Slide 19 - Tekstslide

Question tags
Voorbeelden 
She plays the piano quite well, doesn't she?  
Karen is quite a good singer, isn't she? 
They aren't at home, are they?  
A  stray cat drank all the milk, didn't it? 
Brad and Brenda are married, aren't they? 
Carl didn't come home last night, did he?

Slide 20 - Tekstslide

Question Tags: Samenvatting
Na een bevestigende zin (+) is de tag ontkennend (-)  
Na een ontkennende zin (-) is de tag bevestigend (+) 
Je herhaalt de vorm van het werkwoord to be (am/is/are) of hulpww (can, have, should, could, would).  
Geen hulpww dan do/don't, does/doesn't of did/didn't.
Je herhaalt het onderwerp. Soms moet je dit vervangen door  
he, she, it, we, you, they. 

Slide 21 - Tekstslide

You're a big fan,.....?
A
are you
B
aren't you
C
you are
D
you aren't

Slide 22 - Quizvraag

You walk an hour every day, ……?
A
do you
B
don't you
C
walk you
D
walken't you

Slide 23 - Quizvraag

He can help you,...….?
A
can he
B
can't he
C
he can
D
he can't

Slide 24 - Quizvraag

It's great that you're here, …..?
A
isn't it
B
is it
C
are you
D
aren't you

Slide 25 - Quizvraag

Janice doesn't like you, ……..?
A
does she
B
doesn't she
C
she does
D
she doesn't

Slide 26 - Quizvraag

You guys talked for hours last night, …..?
A
did you
B
didn't you
C
talked you
D
talkedn't you

Slide 27 - Quizvraag

He didn't tell you he is back, ………?
A
did he
B
didn't he
C
he did
D
he didn't

Slide 28 - Quizvraag

Vera is Bob's sister, ……..?

Slide 29 - Open vraag

You aren't family, …….?

Slide 30 - Open vraag

They could help you with that, ……?

Slide 31 - Open vraag

We have told you this before,...….?

Slide 32 - Open vraag

Miss Noé explains the grammar, …….?

Slide 33 - Open vraag

Gerard isn't a big football fan, ………?

Slide 34 - Open vraag

The cat isn't drinking the milk, ……..?

Slide 35 - Open vraag

Slide 36 - Link

Slide 37 - Link

Finish lesson 4
Now let's finish lesson 4 do the excercises 34,35, 37 and 38. When done you start the Catch up which is homework for next lesson.

Slide 38 - Tekstslide