Deze slide heeft geen instructies
Niet door les heen praten
Deze slide heeft geen instructies
Wat gaan we doen vandaag?
Huiswerk (reminder)
Vragen over het huiswerk?
Rekenen met breuken.
Afsluiten
Deze slide heeft geen instructies
Huiswerk voor de komende week:
Groep 1:
Werkboek 1F tot en met vraag 13
Groep 2:
Math for all => Wiskunde MBO =>
3 Algebra 1 => 3.1 tot en met vraag 7
Groep 2:
Math for all => Wiskunde MBO =>
2 Breuken => 2.1 tot en met vraag 9
Deze slide heeft geen instructies
Vragen over het huiswerk?
Deze slide heeft geen instructies
Rekenen met breuken
De les opent breed: eerst herkenning oproepen dat breuken verschillende noemers kunnen hebben, maar toch dezelfde waarde kunnen voorstellen.
Leerdoel
Ik kan breuken met verschillende noemers gelijknamig maken, breuken optellen en aftrekken met gelijknamige breuken en breuken vereenvoudigen tot de eenvoudigste vorm.
Deze slide heeft geen instructies
Welke breuk kun je maken?
1/3
3/10
1/4
5/10
Deze slide heeft geen instructies
Welke breuk kun je maken?
7/10
3/10
1/2
5/10
Deze slide heeft geen instructies
Gelijknamig maken
Breuken zijn gelijknamig als de noemers hetzelfde zijn
Dan kun je breuken makkelijker vergelijken, optellen en aftrekken
Voorbeeld: `1/3` en `2/3` zijn al gelijknamig
`1/2` en `1/4` zijn dat nog niet
Benadruk het woord noemer consequent. Veel leerlingen kijken eerst naar de teller; hier moet de aandacht naar de noemer.
Een gemeenschappelijke noemer vinden
Zoek een getal dat een veelvoud is van beide noemers
Dat getal gebruik je als gemeenschappelijke noemer
Bij `1/2` en `1/4` kan dat `4` zijn
Bij `1/3` en `1/6` kan dat `6` zijn
Vaak kies je de kleinste passende noemer
Noem desgewenst dat de kleinste gemeenschappelijke noemer handig is, maar dat elke gemeenschappelijke noemer in principe werkt.
De waarde blijft gelijk
Als je teller en noemer met hetzelfde getal vermenigvuldigt, verandert de waarde van de breuk niet.
`1/2 = 2/4 = 3/6`
Je maakt de stukken alleen kleiner, maar het geheel blijft even groot.
Leg de betekenis uit met een pizza of reep chocolade: twee helften is evenveel als vier kwarten.
De waarde blijft gelijk
Als je teller en noemer met hetzelfde getal vermenigvuldigt, verandert de waarde van de breuk niet.
Leg de betekenis uit met een pizza of reep chocolade: twee helften is evenveel als vier kwarten.
Voorbeeld van gelijknamig maken
Maak `1/2` en `1/4` gelijknamig
Gemeenschappelijke noemer: `4`
`1/2 = 2/4`
`1/4` blijft `1/4`
Nu kun je beide breuken samen gebruiken
Werk het voorbeeld hardop stap voor stap uit: wat moet er met de noemer gebeuren, en dus ook met de teller?
Gelijknamig maken
Je maakt de noemer gelijk, zodat je kunt optellen
Leg de betekenis uit met een pizza of reep chocolade: twee helften is evenveel als vier kwarten.
De waarde blijft gelijk
Als je teller en noemer met hetzelfde getal vermenigvuldigt, verandert de waarde van de breuk niet.
Leg de betekenis uit met een pizza of reep chocolade: twee helften is evenveel als vier kwarten.
De waarde blijft gelijk
Als je teller en noemer met hetzelfde getal vermenigvuldigt, verandert de waarde van de breuk niet.
Leg de betekenis uit met een pizza of reep chocolade: twee helften is evenveel als vier kwarten.
Welke noemer kan bij 1/2 en 1/4 als gemeenschappelijke noemer?
8
4
2
3
De juiste keuze is 4, omdat 4 een veelvoud is van 2 en van 4. Optie 2 is een veelgemaakte fout: leerlingen kiezen dan één van de bestaande noemers zonder te controleren of beide breuken daarop passen.
Gelijknamig maken
Bij gelijknamig maken zoek je eerst een gemeenschappelijke noemer. Daarna verander je de breuk zonder de waarde te veranderen. Dat doe je door teller en noemer met hetzelfde getal te vermenigvuldigen.
Alle drie de invulwoorden komen letterlijk uit het eerste lesblok en testen of leerlingen het proces en het behoud van waarde begrijpen.
Optellen met gelijknamige breuken
Tel de tellers bij elkaar op
De noemer blijft hetzelfde
Voorbeeld: `2/7 + 3/7 = 5/7`
Je telt stukken van dezelfde grootte op
Laat leerlingen verwoorden waarom de noemer niet verandert: de grootte van de stukken blijft gelijk.
Aftrekken met gelijknamige breuken
Trek de tellers van elkaar af
De noemer blijft hetzelfde
Voorbeeld: `5/8 - 2/8 = 3/8`
Je houdt een aantal stukken van dezelfde grootte over
Deze slide heeft geen instructies
Wanneer moet je eerst gelijknamig maken?
Kijk eerst naar de noemers
Zijn de noemers gelijk? Dan kun je direct rekenen
Zijn de noemers verschillend? Maak de breuken eerst gelijknamig
Voorbeeld: `1/3 + 1/6` kan niet meteen
Een veelgemaakte fout is tellers en noemers allebei optellen. Benoem dat dit niet mag bij ongelijke noemers.
Voorbeeld: eerst gelijknamig maken
`1/3 + 1/6`
`1/3 = 2/6`
`2/6 + 1/6 = 3/6`
Daarna kun je de uitkomst nog vereenvoudigen.
Gebruik dit voorbeeld als brug naar het volgende deel van de les: een antwoord is soms nog niet in de eenvoudigste vorm.
Wat doe je eerst bij 1/3 + 1/6?
Noemers optellen
Tellers aftrekken
Gelijknamig maken
Direct vereenvoudigen
Deze vraag checkt of leerlingen herkennen wanneer direct rekenen niet kan. De foutoptie 'noemers optellen' sluit aan bij de benoemde misconceptie.
Optellen en aftrekken
Bij gelijknamige breuken tel of trek je de tellers van elkaar. De noemer blijft hetzelfde, omdat de stukken even groot blijven. Zijn de noemers verschillend, dan moet je eerst gelijknamig maken.
Laat leerlingen na afloop verwoorden waarom de noemer hetzelfde blijft: de grootte van de stukken verandert niet.
Hoe zie je snel of je eerst gelijknamig moet maken?
Bespreek dat leerlingen moeten letten op de noemers: gelijk = direct rekenen, verschillend = eerst gelijknamig maken. Eventueel mogen ze een kort voorbeeld noemen, zoals 2/5 + 1/5 of 1/2 + 1/3.
Breuken vereenvoudigen
Vereenvoudigen is een breuk kleiner opschrijven met dezelfde waarde
Deel teller en noemer door hetzelfde getal
De breuk blijft dan evenveel voorstellen
Je zoekt een gelijkwaardige breuk in simpelere vorm
Koppel terug aan gelijkwaardige breuken: vereenvoudigen is eigenlijk de omgekeerde beweging van uitbreiden.
Eenvoudige voorbeelden
`2/4 = 1/2` omdat je beide deelt door `2`
`6/8 = 3/4` omdat je beide deelt door `2`
Controleer steeds: deel je teller en noemer door hetzelfde getal?
Deze slide heeft geen instructies
De grootste gemene deler
Soms kun je in één keer vereenvoudigen
Gebruik dan de grootste gemene deler van teller en noemer
Bij `6/8` is dat `2`
Bij `12/18` is dat `6`
Zo kom je sneller in de eenvoudigste vorm
Houd het functioneel: de grootste gemene deler is hier een hulpmiddel om direct volledig te vereenvoudigen, geen doel op zich.
De eenvoudigste vorm
Een breuk staat in de eenvoudigste vorm als teller en noemer niet meer samen door hetzelfde getal groter dan `1` deelbaar zijn.
Voorbeelden: `1/2` en `3/4` zijn al in de eenvoudigste vorm.
Laat eventueel zien dat 3 en 4 geen gemeenschappelijke deler groter dan 1 hebben.
Van som naar eenvoudigste vorm
Reken eerst de breuken uit
Vereenvoudig daarna de uitkomst als dat kan
Voorbeeld: `1/3 + 1/6 = 3/6 = 1/2`
Zo noteer je het eindantwoord zo eenvoudig mogelijk
Benadruk de volgorde: eerst gelijknamig maken en rekenen, daarna vereenvoudigen.
Welke breuk staat al in de eenvoudigste vorm?
4/6
3/4
2/8
6/9
3/4 is al eenvoudigst, omdat teller en noemer geen gemeenschappelijke deler groter dan 1 hebben.
Vereenvoudigen
Bij vereenvoudigen deel je de teller en de noemer door hetzelfde getal. Met de grootste gemene deler kun je soms in één stap de eenvoudigste vorm vinden.
Deze invuloefening sluit aan op slides 10-14: omgekeerde beweging van uitbreiden, en de rol van de grootste gemene deler als hulpmiddel.
Wat vond je vandaag het lastigst?
Gelijknamig maken
Optellen
Aftrekken
Vereenvoudigen
Deze slide heeft geen instructies
Wat is één ding dat jij nu beter kunt met breuken?
Laat leerlingen kort terugblikken op hun eigen leerproces. Mogelijke antwoorden: noemers vergelijken, eerst gelijknamig maken, daarna vereenvoudigen, of het gebruik van de grootste gemene deler.
Welke stap hielp jou het meest in deze les?
Stimuleer metacognitie: leerlingen kunnen noemen dat voorbeelden, stap-voor-stap rekenen, of het kijken naar de noemer hen hielp.
Begrippen
breuk - een deel van een geheel
teller - het bovenste getal van een breuk
noemer - het onderste getal van een breuk
gelijknamige breuken - breuken met dezelfde noemer
gemeenschappelijke noemer - een noemer die bij meerdere breuken past
vereenvoudigen - teller en noemer delen door hetzelfde getal
eenvoudigste vorm - de simpelste schrijfwijze van een breuk met dezelfde waarde
Deze slide heeft geen instructies