cross

3H SK NOVA katern les 8 - 3.3 Massa deel 1

NOVA katern HAVO 3
Paragraaf 3.3: Massa

Les 1 


Nodig: 
schrift  en rekenmachine
1 / 42
volgende
Slide 1: Tekstslide
ScheikundehavoLeerjaar 3

In deze les zitten 42 slides, met interactieve quizzen, tekstslides en 1 video.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

NOVA katern HAVO 3
Paragraaf 3.3: Massa

Les 1 


Nodig: 
schrift  en rekenmachine

Slide 1 - Tekstslide

Programma
  • Leerdoelen
  • Uitleg en opdrachten afgewisseld (in totaal zijn er 12 opdrachten en 1 filmpje)
  • Evaluatie



Slide 2 - Tekstslide

Leerdoelen

Je kent de wet van behoud van massa
Je kan rekenen met massaverhoudingen
Je kent het begrip overmaat


Slide 3 - Tekstslide

Differentiatie
groen = basisstof, deze opdrachten maakt iedereen

oranje = extra oefening, kies deze opdrachten als je meer wil herhalen

paars = verdieping, kies deze opdrachten als je meer uitdaging wil

Slide 4 - Tekstslide

Opfrissen: wet van behoud van massa 
In 1789 formuleerde de fransman Antoine Lavoisier wet van massabehoud. Hij was niet de eerste, want in Rusland was de wet al in 1748 door Michael Lomonosov bewezen met experimenten.  
Beide wetenschappers realiseerden zich dat bij chemische reacties ook vaak gassen een rol spelen. Ze bedachten hoe ze deze gassen konden opvangen en meewegen.  Zo ontdekten ze de wet van behoud van massa!



 

Slide 5 - Tekstslide

0

Slide 6 - Video

Opdracht 1. Geef in je eigen woorden de wet van behoud van massa.

Slide 7 - Open vraag

Uitleg van de wet van behoud van massa op deeltjesniveau





Voor                         Na
1 C-atoom              1 C-atoom
4 H-atomen             4-H atomen
4 O-atomen             4 O-atomen


Conclusie:
Bij een chemische reactie blijven de atomen behouden . 

Slide 8 - Tekstslide

Opdracht 2a.
De weegschaal is in balans. Nu steekt Jasmijn een kaars aan. Leg uit wat zij na enige tijd zal waarnemen.

Slide 9 - Open vraag

Opdracht 2b.
Jasmijn doet de proef nogmaals, maar nu zet ze een stolp over kaars. Bij deze proef kan Jasmijn twee mogelijke verschijnselen waarnemen.
Noteer de waarnemingen en geef ook de verklaringen van deze waarnemingen.

Slide 10 - Open vraag

Opfrissen: rekenen met massaverhoudingen
Vergelijking met koken
Recept voor simpele salade van 300 gram.
Benodigheden: 250 gram sla, 50 gram dressing

sla      +         dressing         ->        salade
250 gram           50 gram                   300 gram   
500 gram          100 gram                  600 gram 
   


Ook koken voldoet aan de wet van behoud van massa!
x 2 

Slide 11 - Tekstslide

Stel: ik wil 1500 gram salade maken
sla      +         dressing         ->        salade
250 gram           50 gram                   300 gram   
? gram                 ? gram                     1500 gram 
                                                                     De factor is 1500 : 300 = 5 

250  x  5 =                     50  x  5  =                           klopt!
         1250 gram  sla          250 gram  dressing        bij elkaar 1500 g                                        

                            


Gegeven
x ? 
Gevraagd

Slide 12 - Tekstslide

Opdracht 3a.
Geef het reactieschema (in woorden) voor de ontleding van aluminiumoxide. Zet ook de fasetoestanden bij de stoffen.

Slide 13 - Open vraag

Opdracht 3b. Het reactieschema voor de ontleding is:
aluminiumoxide (s) -> aluminium (s) + zuurstof (g)

Bij de ontleding van 17 g aluminiumoxide krijg je 9 g aluminium.
Bereken hoeveel gram zuurstof bij de reactie ontstaat.

Slide 14 - Open vraag

Opdracht 4. Bij de verbranding van calcium ontstaat calciumoxide. De massaverhouding tussen calcium en zuurstof is 5,0 : 2,0. Bereken hoeveel gram zuurstof je nodig hebt om 3,5 gram calcium volledig te verbranden.

Slide 15 - Open vraag

Opdracht 5a.
Geef het reactieschema voor de verbranding van magnesiumoxide in woorden.
Zet ook de fasetoestanden bij de stoffen.

Slide 16 - Open vraag

Opdracht 5b.
Charif doet een aantal experimenten met magnesium. De meetwaarden zet hij in een grafiek en hij trekt een lijn door de punten, zie hiernaast.

Wat voor experimenten heeft Charif gedaan?

Slide 17 - Open vraag

Opdracht 5c.
Uit de grafiek die Charif heeft gemaakt kan je afleiden wat de massaverhouding is waarin magnesium en zuurstof met elkaar reageren.

Welke verhouding lees je af?
A
massa magnesium : massa zuurstof = 2 : 1
B
massa magnesium : massa zuurstof = 1 : 2
C
massa magnesium : massa zuurstof = 3 : 2
D
massa magnesium : massa zuurstof = 2 : 3

Slide 18 - Quizvraag

Opdracht 5d.
Magnesium en zuurstof reageren dus in de massaverhouding 3 : 2.

Bereken hoeveel gram magnesiumoxide er ontstaat als je 15 gram magnesium verbrandt.
A
10 gram
B
15 gram
C
25 gram
D
30 gram

Slide 19 - Quizvraag

Uitleg van opdracht 5d

                                        magnesium (s)   +   zuurstof (g)   ->   magnesiumoxide (s)
massaverhouding                3                   :               2
gegeven                             15 gram
gevraagd                                                                                                         ? gram

Er reageert 15 : 3 x 2 = 10 gram zuurstof
Er ontstaat dan 15 + 10 = 25 gram magnesiumoxide

Slide 20 - Tekstslide

Opdracht 6. Maak deze vraag in je schrift. Lever een foto in.

Bij de reactie tussen calcium en fluor wordt calciumfluoride (s) gevormd. Als 800 g calcium volledig reageert, dan is hiervoor 760 gram fluor nodig.
a) Geef het reactieschema in woorden (met fasetoestanden)
b) Bepaal de massaverhouding calcium : fluor
c) Bereken hoeveel fluor nodig is om te reageren met 450 g calcium.

Slide 21 - Open vraag

Opdracht 6d. Maak deze vraag in je schrift. Lever een foto in.
Calcium en fluor reageren dus met elkaar in de massaverhouding 20 : 19.
Ik wil 500 g calciumfluoride maken.
Hoeveel gram calcium en hoeveel gram fluor heb ik nodig?

Slide 22 - Open vraag

Uitleg van opdracht 6d.

                                             calcium (s)   +   fluor (g)   ->   calciumfluoride (s)
massaverhouding                 20           :         19
gegeven                                                                                          500 gram
gevraagd                             ? gram               ? gram

Als 20 g calcium reageert met 19 g fluor dan ontstaat 39 g calciumfluoride. We willen 500 : 39 = 12,8 x zoveel maken.
Nodig 12,8 x 20 = 256,4 g calcium en 500 - 256,4 =  243,6 gram fluor.

Slide 23 - Tekstslide

Goed dat je tot hier gekomen bent!






Als je tot nu toe vragen hebt, vraag die dan eerst aan de docent.

Er komt nu nog één nieuw onderwerp.

Slide 24 - Tekstslide

De volgende vraag gaat over de vorming van salmiak

Slide 25 - Tekstslide

Opdracht 7a.

Maak een kloppende reactievergelijking
met molecuulformules voor de vorming van salmiak
uit waterstofchloride (g) en ammoniak (g).
ammoniak=NH4Cl(s)

Slide 26 - Open vraag

Opdracht 7b.
Bij de vorming van salmiak reageren waterstofchloride en ammoniak in de massaverhouding 2 : 1.
Treedt er een reactie op als je waterstofchloride en ammoniak niet in de juiste verhouding mengt?
A
Ja, één van de twee stoffen zal dan volledig op reageren en van de andere zal een deel overblijven
B
Nee, als de stoffen niet in de juiste verhouding aanwezig zijn zullen ze niet met elkaar reageren.

Slide 27 - Quizvraag

Overmaat
Vaak worden de stoffen die reageren niet in de juiste massaverhouding met elkaar gemengd. In dat geval reageert 1 van de stoffen tot hij op is. De andere stof blijft over.

Je zegt van de stof die overblijft: Deze stof is in overmaat

Slide 28 - Tekstslide

Opdracht 8.
Magnesium en zuurstof reageren met elkaar in een massaverhouding van 3 : 2.
Je laat 12 gram magnesium reageren met 9 gram zuurstof. Welke stof is dan in overmaat aanwezig?
A
Magnesium
B
Zuurstof

Slide 29 - Quizvraag

Opdracht 9.
Je laat 4,6 gram koper reageren met een overmaat zuurstof. Van het product, koperoxide, ontstaat 23 gram.
In welke massaverhouding reageren koper en zuurstof?
A
1 : 4
B
1 : 5
C
4 : 1
D
5 : 1

Slide 30 - Quizvraag

Opdracht 10.
3 g magnesium reageert met precies 2 g zuurstof tot magnesiumoxide.
Hannah laat nu 36 g magnesium reageren met 24 g zuurstof.
Welke stof(fen) heb je na de reactie?
A
magnesium en magnesiumoxide
B
zuurstof en magnesiumoxide
C
magnesium en zuurstof en magnesiumoxide
D
alleen magnesiumoxide

Slide 31 - Quizvraag

Opdracht 11. Maak in je schrift, foto inleveren. Waterstof en stikstof reageren met elkaar in de massaverhouding 3 : 14. Hierbij ontstaat ammoniak.
In een reactor worden 50 kg waterstof en 200 kg stikstof samengevoegd.
a) Geef het reactieschema in woorden.
b) Bereken hoeveel gram ammoniak ontstaat (tip: dat is niet 250 kg)

Slide 32 - Open vraag

Yes, je hebt de les nu bijna afgerond ...

 

in de volgende dia ga je verder met de evaluatie.



Slide 33 - Tekstslide

Schrijf drie dingen op die je deze les hebt geleerd.

Slide 34 - Open vraag

Schrijf één of twee dingen op die je deze les nog niet zo goed hebt begrepen.

Slide 35 - Open vraag

Opdracht 12a.
Als zink met zuurstof reageert ontstaat een nieuwe witte vaste stof, zinkoxide.

Zinkoxide is een wit pigment dat in sommige zonnebrandcrèmes voorkomt.
Wat is de juiste reactievergelijking?
A
Zn(g) + O2 (g) -> ZnO (g)
B
Zn(s) + O2 (g) -> ZnO (s)
C
2 Zn (s) + O2 (g) -> ZnO(s)
D
2 Zn (s) + O2 (g) -> 2 ZnO (s)

Slide 36 - Quizvraag

Opdracht 10 vervolg 
Twee leerlingen bepalen uit een aantal experimenten in welke massaverhouding zink en zuurstof reageren. Ze nemen steeds 8,0 gram zink en laten dat met verschillende hoeveelheden zuurstof reageren. Na afloop wegen ze de totale hoeveelheid vaste stof. De resultaten staan in het diagram. 

Slide 37 - Tekstslide

Opdracht 10b.
zink (s) + zuurstof (g) -> zinkoxide (s)

De leerlingen nemen steeds 8,0 gram zink.

In welk deel van de grafiek is zink in overmaat aanwezig?
A
het stijgende deel
B
bij de knik
C
het horizontale deel

Slide 38 - Quizvraag

Uitleg Opdracht 10b

De leerlingen nemen steeds 8,0 gram zink. Bij 1,0 gram zuurstof zie je dat er meer vaste stof is gekomen, er is een beetje zinkoxide (s) ontstaan.

 In dit punt is er nog zink over maar de 1,0 gram zuurstof reageert op.  Bij de knik reageren 8,0 gram zink en 2,0 gram zuurstof  precies helemaal op. Er ontstaat 10,0 gram zinkoxide. 

Slide 39 - Tekstslide

Opdracht 10c.

zink (s) + zuurstof (g) -> zinkoxide (s)

De leerlingen nemen steeds 8,0 gram zink.
In welk deel van de grafiek is zuurstof in overmaat aanwezig?
A
het stijgende deel
B
bij de knik
C
het horizontale deel

Slide 40 - Quizvraag

Opdracht 10d.
zink (s) + zuurstof (g) -> zinkoxide (s)

De leerlingen nemen steeds 8,0 gram zink.

Leidt met behulp van de grafiek af in welke
massaverhouding zink en zuurstof reageren.
A
zink : zuurstof = 10,0 : 2,0
B
zink : zuurstof = 2,0 : 10,0
C
zink : zuurstof = 8,0 : 2,0
D
zink : zuurstof = 8,0 : 10,0

Slide 41 - Quizvraag

EINDE

Slide 42 - Tekstslide