12.2 VSEPR-theorie

12.2 VSEPR-theorie
1 / 27
volgende
Slide 1: Tekstslide
ScheikundeMiddelbare schoolvwoLeerjaar 5

In deze les zitten 27 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 45 min

Onderdelen in deze les

12.2 VSEPR-theorie

Slide 1 - Tekstslide

12.2 VSEPR-theorie
Herhaling soorten bindingen (4e klas)
(Polaire atoombinding)
 (vanderwaalsbinding en waterstofbrug)
Ruimtelijke bouw van moleculen

Slide 2 - Tekstslide

Eerst een herhaling van stof uit 4 vwo. Dit is belangrijk om deze paragraaf van hoofdstuk 12 te begrijpen.

Slide 3 - Tekstslide

Wat is de octetregel, wat is covalentie en welke uitzonderingen zijn er op de octetregel?

Slide 4 - Tekstslide

Je kunt de standaard covalentie van een atoom afleiden uit de plaats in het periodiek systeem (bijvoorbeeld in Binas-tabel 99). Het geeft aan hoeveel stappen een atoom moet zetten om op een edelgas te lijken:

Groep 1 (bijv. Waterstof): Covalentie 1.
Groep 17 (halogenen zoals Fluor, Chloor): Covalentie 1.
Groep 16 (bijv. Zuurstof, Zwavel): Covalentie 2.
Groep 15 (bijv. Stikstof, Fosfor): Covalentie 3.
Groep 14 (bijv. Koolstof, Silicium): Covalentie 4.

Slide 5 - Tekstslide

Er zijn uitzonderingen op de octetregel:
Waterstof (H) en Helium (He): Deze atomen streven naar 2 elektronen in hun buitenste ('duetregel').
Uitgebreid octet: Sommige atomen, vooral die in periode 3 en lager (zoals zwavel (S), fosfor (P), kunnen meer dan 8 elektronen in hun valentieschil hebben. Dit noemen we een 'uitgebreid octet'. Een voorbeeld hiervan is zwavel in zwavelhexafluoride (SF6), waar 'S' zes bindingen vormt en daardoor 12 elektronen om zich heen heeft.

Slide 6 - Tekstslide

Welke atoomsoort kan een uitgebreid octet hebben?
A
Be
B
N
C
P
D
Ne

Slide 7 - Quizvraag

Vraagje
Waarom lost CO2 slecht op in water (9,5 mg/L),
maar SO2 goed (112 g/L)
en NH3 zeer goed (~250g/L)?

Slide 8 - Tekstslide

Polaire atoombinding
  • Bij waterstofchloride (HCl) hebben H en Cl allebei nog 1 elektron nodig voor de edelgasconfiguratie.
  • Chloor trekt harder aan het gemeenschappelijk elektronenpaar dan waterstof. 

Slide 9 - Tekstslide

Polaire atoombinding
  • Gevolg: het elektronenpaar zit wat dichter bij het chlooratoom, dan bij het waterstofatoom.
  • Hierdoor krijgt het chlooratoom een beetje negatieve lading, weergegeven met  δ-
  • Het waterstofatoom krijgt een beetje positieve lading, weergegeven met δ+.

Slide 10 - Tekstslide

Polaire atoombinding
  • Zo'n gedeeltelijke lading, δ+, wordt ook wel partiële lading genoemd. 
  • De atoombinding noem je dan een polaire atoombinding.

Slide 11 - Tekstslide

Waarom bestaat een polaire atoombinding?
  • Elektronegativiteit (EN) is een maat voor de kracht waarmee een atoom de elektronen van een atoombinding aantrekt.
  • Binas tabel 40A
  • Atoom met hoogste EN trekt het sterkste aan de elektronen en wordt δ-.
  • Het verschil in EN bepaalt de soort binding.

Slide 12 - Tekstslide

Elektronegativiteit
  • Het verschil in EN (ΔEN) bepaalt de soort binding.
  • EN(Cl): 3.2 en EN(H): 2.1.
  • ΔEN = 1.1, dus polaire atoombinding
ΔEN
Soort binding
≤ 0,4
Apolair
0,4-1,7
Polair
> 1,7
Ion

Slide 13 - Tekstslide

Vanderwaals binding (VdW)
  • Aantrekkingskracht tussen moleculen onderling
  • Sterkte van de VwD binding neemt toe bij een
    hogere molecuulmassa
    en
    groter molecuuloppervlak

Slide 14 - Tekstslide

Vanderwaalsbinding 
Voorbeeld: hexaan en 2,3-dimethylbutaan
Zelfde massa, maar hexaan heeft een groter oppervlak, dus sterkere vanderwaalsbinding
>

Slide 15 - Tekstslide

Dipool-dipoolbinding
Binding tussen polaire moleculen ("dipolen")
Binding tussen         en            van verschillende moleculen
Voorbeeld: SO2

        
δ
δ
δ
δ
2δ+
2δ+
δ+
δ

Slide 16 - Tekstslide

Waterstofbruggen (H-brug)
  • Bestaat bij -OH en -NH groepen
  • Aantrekking tussen δ+ van de H en δ- van de O of N
  • Stoffen die H-bruggen kunnen vormen zijn vaak goed oplosbaar in water

Slide 17 - Tekstslide

Dipoolmoleculen
  • Moleculen met een polaire atoombinding kunnen een dipoolmolecuul zijn.
  • CO2 heeft polaire atoombindingen, maar is geen dipoolmolecuul. 
  • SO2 heeft ook polaire atoombindingen, en is wel een dipoolmolecuul. Hoe zit dat?

Slide 18 - Tekstslide

In welke afbeelding
is de waterstofbrug
correct getekend?
A
A
B
B
C
C
D
D

Slide 19 - Quizvraag

VSEPR-theorie
  • Theorie gebruikt om de ruimtelijke bouw van een molecuul te voorspellen
  • Valence-Shell Electron-Pair Repulsion
  • Ruimtelijke bouw wordt gebaseerd op het omringingsgetal
  • Omringingsgetal is de som van het aantal atomen rondom het centrale atoom + het aantal vrije elektronenparen rondom dat atoom

Slide 20 - Tekstslide

Wat is het omringingsgetal van methaan (CH4)?
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 21 - Quizvraag

Wat is het omringingsgetal van formaldehyde (H2C=O)?
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 22 - Quizvraag

Wat is het omringingsgetal van ammoniak (NH3)
A
1
B
2
C
3
D
4

Slide 23 - Quizvraag

Ammoniak (NH3)
  • Lewisstructuur: 1 vrij elektronenpaar
  • Omringingsgetal: 4
  • 3 atomen en 1 VEP
  • Ruimtelijke bouw is een tetraëder.   

Slide 24 - Tekstslide

Omringingsgetal en ruimtelijke bouw
  • Ruimtelijke bouw is zo dat alles zo ver mogelijk van elkaar af zit. Atomen willen niet vlak bij elkaar zitten en vrije elektronenparen ook niet bij atomen.

Slide 25 - Tekstslide

Vraag van de dag: waarom lost SO2 wel goed op in water en CO2 niet, en NH3 juist zeer goed?
  • De ruimtelijke bouw van de moleculen verschilt:
  • SO2 heeft een omringingsgetal van 3 
  • CO2 heeft een omringingsgetal van 2
  • Daardoor is SO2 wel een dipoolmolecuul en CO2 niet.
  • Daardoor kan SO2 dipool-dipoolbindingen aangaan met water en CO2 niet.
  • NH3 is een dipool, en kan daarbovenop ook nog waterstofbruggen vormen met water

Slide 26 - Tekstslide

De covalentie van een atoom is gelijk aan het omringingsgetal als...
A
Het geen dubbele en drievoudige bindingen heeft
B
Het geen formele lading heeft
C
Het niet radicaal is
D
A, B en C

Slide 27 - Quizvraag