2HV - Les 15 aanwijzende voornaamwoorden

Programa
1. Controlamos los deberes
2. Clases anteriores
3. Aanwijzende voornaamwoorden
4. Destrezas
5. Deberes
1 / 28
volgende
Slide 1: Tekstslide
SpaansMiddelbare schoolhavo, vwoLeerjaar 3

In deze les zitten 28 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 30 min

Onderdelen in deze les

Programa
1. Controlamos los deberes
2. Clases anteriores
3. Aanwijzende voornaamwoorden
4. Destrezas
5. Deberes

Slide 1 - Tekstslide

Controlamos los deberes
Estudiar (=leren):Unidad 2, Voca NL-SP 1-60

Slide 2 - Tekstslide

timer
0:30
Wat weet je nog van het bijvoeglijk naamwoord?

Slide 3 - Woordweb

Bijv. nw: Van mannelijk naar vrouwelijk
Woord eindigt op, uitgang: 
1. o
<div>rojo</div>
2. Medeklinker
<div>azul</div>
3. e&nbsp;<br>verde
Blijft hetzelfde
Blijft hetzelfde
Wordt een a

Slide 4 - Sleepvraag

Van enkelvoud naar meervoud
Woord eindigt op: 
timer
0:20
1. klinker
<div>(verde, colombiano)</div>
2. Medeklinker
<div>(azul, ciudad)&nbsp;</div>
+ s
+ es

Slide 5 - Sleepvraag

Het bijvoeglijk naamwoord 
- Aantekeningen

Slide 6 - Tekstslide

Welke vorm van het bijvoeglijk naamwoord staat er op de lege plek?

El bolígrafo es ______.
A
blanco
B
blancos
C
blanca
D
blancas

Slide 7 - Quizvraag

1. Wat is er fout aan deze zin?
2. Wat moet het dan wel zijn?

Las pizarras son rojos.

Slide 8 - Woordweb

Noteer de Spaanse vertaling!

Los zapatos son ______ (verde)

Slide 9 - Open vraag

Noteer de Spaanse vertaling!

La silla es ______ (azul)

Slide 10 - Open vraag

Noteer de Spaanse vertaling!

Las gatas son ______ (amarillo)

Slide 11 - Open vraag

Het werkwoord ser
- Aantekeningen

Slide 12 - Tekstslide

Vul de juiste vervoeging van het werkwoord ser in.
Mi amigo y yo ______ de Holanda.

Slide 13 - Open vraag

Vul de juiste vervoeging van het werkwoord ser in.
Las tijeras ______ de Anabel.

Slide 14 - Open vraag

Vul de juiste vervoeging van het werkwoord ser in.
Madrid ____ la ciudad más grande de España.

Slide 15 - Open vraag

Het werkwoord llamarse
- Aantekeningen 

Slide 16 - Tekstslide

Vul de juiste vervoeging van het werkwoord llamarse in.
Nosotros ______ Lucía y Juan.

Slide 17 - Open vraag

Vul de juiste vervoeging van het werkwoord llamarse in.
Mi padre y mi hermano ______ Pedro y Estebán.

Slide 18 - Open vraag

Vul de juiste vervoeging van het werkwoord llamarse in.
Tú y tu amiga ______ María y Alba.

Slide 19 - Open vraag

Zinnen ordenen

Slide 20 - Tekstslide

Onderwerp + werkwoord + meer informatie
es - roja - silla - la

Slide 21 - Open vraag

Onderwerp + werkwoord + meer informatie
hermano - de - eres - Pedro - Tú - el

Slide 22 - Open vraag

Dit / Deze - ml/vl/ev/mv

Slide 23 - Tekstslide

Trabajamos
Página 25, ej 4

Zet alles in het meervoud + vertaal de zinnen

Slide 24 - Tekstslide

aanwijzende vnw
  1.  (deze) libro es muy interesante.
  2.  (deze) chicas son muy amables.
  3.  (deze) coche es nuevo y rápido.
  4.  (deze) casas son grandes y modernas.
  5.  (deze) profesor es muy divertido.
  6.  (deze) camisetas son de buena calidad.
  7.  (deze) perro es muy juguetón.
  8.  (deze) amigos son muy divertidos.
  9.  (deze) película es muy emocionante.
  10.  (deze) zapatos son muy cómodos.

 11. (dit) chica es muy inteligente.
 12. (dit) libro es interesante.
 13. (deze) chicas son mis amigas.
 14. (dit) perro es muy amigable.
 15. (deze) coches son rápidos.
 16. (dit) examen es difícil.
 17. (deze) camisetas son de buena calidad.
 18. (dit) casa es muy grande.
 19. (deze) chicos son deportivos.
 20. (dit) problema es fácil de resolver.

Slide 25 - Tekstslide

aanwijzende vnw
  1.  (ESTE) libro es muy interesante.
  2.  (ESTAS) chicas son muy amables.
  3.  (ESTE) coche es nuevo y rápido.
  4.  (ESTAS) casas son grandes y modernas.
  5.  (ESTE) profesor es muy divertido.
  6.  (ESTAS) camisetas son de buena calidad.
  7.  (ESTE) perro es muy juguetón.
  8.  (ESTOS) amigos son muy divertidos.
  9.  (ESTA) película es muy emocionante.
  10.  (ESTOS) zapatos son muy cómodos.

 11. (ESTA) chica es muy inteligente.
 12. (ESTE) libro es interesante.
 13. (ESTAS) chicas son mis amigas.
 14. (ESTE) perro es muy amigable.
 15. (ESTOS) coches son rápidos.
 16. (ESTE) examen es difícil.
 17. (ESTAS) camisetas son de buena calidad.
 18. (ESTA) casa es muy grande.
 19. (ESTOS) chicos son deportivos.
 20. (ESTE) problema es fácil de resolver.

Slide 26 - Tekstslide

Comunicación
Página 26

Klassikaal
Ejercicio 1

In tweetallen
Ejercicios 2 & 3

Slide 27 - Tekstslide

Deberes
Estudiar (=leren):Unidad 2, Voca NL-SP 1-75

Slide 28 - Tekstslide