Paragraaf 3.3 Hoe werkt de markt?

3.3
Hoofdstuk 3. Hoe werken markten?
  1. Wat is de vraag?
  2. Waar vinden vragers en aanbieders elkaar?
  3. Hoe werkt de markt?
  4. Wat speelt er op de arbeidsmarkt?
1 / 18
volgende
Slide 1: Tekstslide
EconomieMiddelbare schoolvwoLeerjaar 3

In deze les zitten 18 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

3.3
Hoofdstuk 3. Hoe werken markten?
  1. Wat is de vraag?
  2. Waar vinden vragers en aanbieders elkaar?
  3. Hoe werkt de markt?
  4. Wat speelt er op de arbeidsmarkt?

Slide 1 - Tekstslide

Opgave 31 (marktevenwicht)

Bereken de evenwichtsprijs en -hoeveelheid van de vraaglijn qv = –1p + 10 en de aanbodlijn qa = 4p – 20. 
  • bij marktevenwicht geldt: qv = qa
  • dus -1p + 10 = 4p -20    =>    -5p = -30     =>    p = 6    =>             evenwichtsprijs = € 6
  • p = 6 invullen in qv = -1p + 10    =>    q= -1 x 6 + 10    =>    qv = 4    => evenwichtshoeveelheid = 4 stuks
  • opdracht: teken de vraag- en aanbodlijn en wijs het marktevenwicht aan



Slide 2 - Tekstslide

Als je kijkt naar de markt voor mobiele telefoons.
Hoeveel aanbieders en hoeveel vragers denk je dat er zijn?
weinig aanbieders en weinig vragers
weinig aanbieders en veel vragers
veel aanbieders en weinig vragers
veel aanbieders en veel vragers

Slide 3 - Poll

Marktvormen
Om te bepalen van wat voor marktvorm er sprake is kijk je naar:
  1. het type product: homogeen (gelijksoortige producten) of heterogeen (van elkaar verschillende producten)
  2. het aantal aanbieders op de markt

Slide 4 - Tekstslide

Marktvormen (globaal)

Slide 5 - Tekstslide

Volkomen concurrentie
Bij volkomen concurrentie horen de volgende eigenschappen:
  • exact dezelfde producten (homogene producten)
  • veel vragers en veel aanbieders
  • de markt is transparant
  • aanbieders kunnen toetreden en vertrekken wanneer ze willen

Eén aanbieder kan de marktprijs niet veranderen:
de aanbieder is een hoeveelheidsaanpasser.

Voorbeeld: graan


Slide 6 - Tekstslide

Monopolitsche concurrentie
Bij monopolistische concurrentie horen de volgende eigenschappen:
  • niet exact dezelfde producten (heterogene producten)
  • veel vragers en veel aanbieders
  • de markt is niet transparant
  • aanbieders kunnen toetreden en vertrekken wanneer ze willen

Bij monopolistische concurrentie kunnen aanbieders
hun eigen prijs bepalen rekening houdend met de
concurrentie.

Voorbeeld: auto's

Slide 7 - Tekstslide

Oligopolie
Bij een oligopolie zijn er maar weinig aanbieders en daardoor kun je moeilijk toetreden. Je kun een onderscheid maken in 2 soorten oligopolie:
  • met homogene producten, voorbeeld: ruwe olie
  • met heterogene producten, voorbeeld: benzinestation




Om deze concurrentie te verminderen kunnen oligopolisten:
  • verboden kartelafspraken, over prijs, productieomvang en verdeling van de markt
  • prijsverlagingen doorvoeren, dit kan leiden tot een prijzenoorlog

Slide 8 - Tekstslide

Monopolie
Bij een monopolie is er maar één aanbieder. Zij kan daarom zelf de prijs bepalen: de aanbieder is een prijsaanpasser.

Voorbeeld: trein op het landelijke net (NS)




                                                                                                                        maar concurrentie op het regionale net



Slide 9 - Tekstslide

Marktvormen (detail)

Slide 10 - Tekstslide

Marktvormen (perfect)

Slide 11 - Tekstslide

Slide 12 - Tekstslide

Welke marktvorm heeft weinig aanbieders
(en veel vragers)?
A
monopolie
B
oligopolie
C
monopolistische concurrentie
D
volkomen concurrentie

Slide 13 - Quizvraag

Wat is een eigenschap van de marktvorm volkomen concurrentie?
A
één aanbieder
B
homogeen product
C
moeilijke toetreding
D
heterogeen product

Slide 14 - Quizvraag

In welke marktvorm bevindt camping Stoetenslagh zich?
A
monopolie
B
oligopolie
C
monopolistische concurrentie
D
volkomen concurrentie

Slide 15 - Quizvraag

Welk product (markt) is een vorm van een oligopolie?
A
melk (rauw)
B
stoelen
C
supermarkt
D
bloemen

Slide 16 - Quizvraag

Leerdoelen H3. Hoe werken markten?
Kleuren:
rood ik weet nog weinig tot niets van dit leerdoel
oranje ik beheers dit leerdoel nog onvoldoende, maar weet er al wel iets van
groen ik beheers dit leerdoel voldoende
blauw ik beheers dit leerdoel goed zodat ik het een ander kan uitleggen

Slide 17 - Tekstslide

Maakwerk voor de volgende keer



Paragraaf 3.3 Hoe werkt de markt?
Opgaven 37, 38, 39, 40, 42, 44, 45 en 46

Slide 18 - Tekstslide