poezieanalyse VNED1A week 4 en 5

Stand van zaken: ingeleverde opdrachten
- rijm met schema: 23 van de 43
ruimte-opdracht: 19 van de 43
-beoordeling Weeffout: 8 van de 43
mindmap Weeffout: 2 van de 43
Sonnet: 7 van de 43.

1 / 46
volgende
Slide 1: Tekstslide
NederlandsMiddelbare schoolhavoLeerjaar 5

In deze les zitten 46 slides, met interactieve quizzen en tekstslides.

time-iconLesduur is: 50 min

Onderdelen in deze les

Stand van zaken: ingeleverde opdrachten
- rijm met schema: 23 van de 43
ruimte-opdracht: 19 van de 43
-beoordeling Weeffout: 8 van de 43
mindmap Weeffout: 2 van de 43
Sonnet: 7 van de 43.

Slide 1 - Tekstslide

stand van zaken m.b.t. gelezen primair teksten
Boy 7: 24 van de 43
Weeffout 21 van de 43

Slide 2 - Tekstslide

voorwaarden
- om aan het tentamen deel te mogen nemen MOET je alle opdrachten ingeleverd hebben.
- om in aanmerking te komen voor nudging: je hebt alle colleges gevolgd en alle opdrachten ingeleverd.

-


Slide 3 - Tekstslide

Uit: Olijven moet je leren lezen
Ellen Deckwitz:

'Gedichten zijn eigenlijk een soort gesprekken die niet direct tot ons gericht zijn maar ons desondanks iets wezenlijks vertellen over taal en dus over mens-zijn.' (p. 10)

Slide 4 - Tekstslide

Uit: Olijven moet je leren lezen
Gedicht: dicht taalgebruik
'Bij gedichten moet je uit woorden afleiden wat er aan de hand is.' (p. 8)
'Dichten is met taal om zaken heen bewegen die nog niet eerder in taal zijn gevangen.

Gedichten moet je leren lezen.

Slide 5 - Tekstslide

Wat is het antwoord van Deckwitz op de vraag waarom dichters niet 'gewoon' zeggen wat ze bedoelen?

Slide 6 - Open vraag

Uit: Olijven moet je leren lezen
De dichter zegt dus PRECIES wat hij bedoelt.

Een gedicht wil iets zeggen.

Het is een deel van de conversatie-etiquette tussen tekst en lezer.

Slide 7 - Tekstslide

Uit: Olijven moet je leren lezen
H3 
Belangrijkste kenmerken poëzie:
1. ENJAMBEMENTEN (voortijdige regelafbrekers): soort cliffhangers

functies:
-  ze dwingen je om nauwkeurig te (her)lezen
- ze onthullen extra lagen, dwingen extra betekenissen af.

Make poems, not war! 




Slide 8 - Tekstslide

Uit: Olijven moet je leren lezen
H4
Belangrijkste kenmerken poëzie:

2. REGELWIT

functies:
-  in plaats van alles uit te leggen, laat een gedicht het je zelf invullen.
- de betekenisvolle stilte die benadrukt wat er juist niét wordt gezegd.






Slide 9 - Tekstslide

Uit: Olijven moet je leren lezen
dus:

een gedicht draait vaak om wat er juist niet wordt gezegd.

Je moet herlezen en dan nog ontglippen je veel betekenissen: wat je aan een gedicht overhoudt zijn geen antwoorden maar vermoedens. (I. Pfeijffer)

Slide 10 - Tekstslide

Uit: Olijven moet je leren lezen
H8
In een gedicht staan vaak (3) vergelijkingen: beste manier om iets uit te leggen wat een ander nog niet kent:

a. als- vergelijkingen
b. vergelijkingen zonder als: metaforen

'Een vergelijking maakt het onbekende minder onbekend door het te relateren aan het bekende.' (p. 61)

Slide 11 - Tekstslide

Uit: Olijven moet je leren lezen
H 10
Een gedicht betekent niet alles. Daarvoor is elk woord, elke komma afgewogen.

Poëzie is een leesafspraak:
- je  leest iedere versregel eerst apart vanwege de enjambementen.
-een gedicht kan veel betekenen maar niet ALLES.

Slide 12 - Tekstslide

Uit: Olijven moet je leren lezen
H 14
Een gedicht heeft onduidelijke grenzen en dankt zijn meerlagigheid aan de kunst van het doordenken.

Er valt meer uit een gedicht te halen dan alleen de letterlijke betekenis: afhankelijk van wat er staat, staat er nog veel meer.

Het maakt niet uit wat de dichter ermee bedoelt: alleen wat er staat telt EN hoe je erop doordenkt.


Slide 13 - Tekstslide

Uit: Olijven moet je leren lezen
Welk groepje maakt van de theorie de beste mindmap?


Slide 14 - Tekstslide

 Poëzie: vorm en inhoud

Bij poëzie gaat het zowel om de inhoud als om de vorm. Vaak is er een relatie tussen vorm en inhoud en brengt de vorm je dichter bij de inhoud. 

Slide 15 - Tekstslide

Rijm
Rijm betekent in de ruimste zin van het woord herhaling van klanken.
Meestal bedoelt men daarmee herhaling van klank aan het eind van een regel (eindrijm).

Slide 16 - Tekstslide

Eindrijm en rijmschema


De bekendste vorm van rijm (Sinterklaasrijm). 

De woorden aan het einde van de regel hebben dezelfde klank. 

Als je rijmende woorden aan het eind van een regel dezelfde letter geeft, ontstaat een rijmschema.



Slide 17 - Tekstslide

Slide 18 - Tekstslide

Slide 19 - Tekstslide

Slide 20 - Tekstslide

Slide 21 - Tekstslide

Welke vorm van rijm herken je hier?
A
gekruist rijm
B
gepaard rijm
C
omarmend rijm
D
verspringend rijm

Slide 22 - Quizvraag

Welke vorm van halfrijm herken je vooral in dit fragment?
A
assonantie
B
alliteratie

Slide 23 - Quizvraag

De hemel heeft een zwijn gezonden
dat heeft mijn brein geschonden.
A
eindrijm
B
eindrijm en binnenrijm
C
eindrijm en middenrijm
D
dubbelrijm

Slide 24 - Quizvraag

De hoofdpersoon van dit verhaaltje
een knaap met sluik en strogeel haar
van wie geen mens op aard kon houden
omdat hij ´t monster was voorwaar
mar die kon lachen als een lijster
uitdagend lang en snijdend klaar.
A
weesrijm
B
verspringend rijm
C
gebroken rijm
D
overlooprijm

Slide 25 - Quizvraag

Hoe noem je dit rijmschema? 


Wat wil je worden? vroeg de juf  

't was in de 3de klas  

Ik keek haar aan en wist het niet  

Ik dacht dat ik al iets was  

Slide 26 - Tekstslide

Hoe noem je het rijmschema?
A
omarmend rijm
B
gekruist rijm
C
gebroken rijm
D
gepaard rijm

Slide 27 - Quizvraag

Half rijm
Gelijkheid van klank.

Assonantie: klinkerrijm
Gelijkheid van de beklemtoonde lettergrepen

Slide 28 - Tekstslide

Martinus Nijhoff

Maar' t  leven is te vast en hard

Of we al een rustplaats graven

Nog nimmer kwam de grote nacht

En is een mensch gaan slapen


Slide 29 - Tekstslide

Beginrijm
Gelijkheid van de beginmedeklinkers. 

Ook wel stafrijm.

Guido Gezelle: 
"Stafrijmen zijn stapstenen waarop men steunt met de stemme."

Slide 30 - Tekstslide

Welke soort rijm herken je?  

Slide 31 - Tekstslide

Welke soort rijm herken je in de titels van Suske en Wiske?
De gladde glipper / Het Spaanse spook /Het statige standbeeld

Slide 32 - Open vraag

gedicht van een klasgenoot
Mijn verlangen naar jou is groot.
De langzame ontbranding,
Het gevoel van ontspanning,
Maar het genieten van jou is geen nood.
Mijn ogen zien op dit moment rood,
Dat zonder rede, zonder opwekking.
Het leven zonder jou is een ontdekking.
Ik voel me verloren en zonder kompas leidt ik de vloot,
Maar daar sta je dan voor mij ogen.
Jouw geur en aanwezigheid.
Zouden we elkaar nog steeds mogen?
Het verlaten van jou deed ik met spijt.
Ik heb nu wel een beter vermogen.
Maar dit tussen ons is het eind en zijt.





Slide 33 - Tekstslide

soort gedicht

Slide 34 - Woordweb

Een sonnet heeft altijd
A
14 versregels
B
een octaaf en een sextet
C
twee kwatrijnen en twee terzinen/terzetten
D
alle antwoorden zijn goed.

Slide 35 - Quizvraag

Waar staat in een sonnet de chûte, de volta of de omwenteling?
A
Tussen het octaaf en het sextet
B
Tussen de terzinen/terzetten
C
Tussen de kwatrijnen.
D
Maakt niet uit.

Slide 36 - Quizvraag

En de dichter is .....

Slide 37 - Open vraag

Beeldspraak
Het spreken in beelden:
'Wat een olifant!'

Verschillende vormen van beeldspraak:
1. metaforen
2. metonymia

Slide 38 - Tekstslide

Beeldspraak
Het spreken in beelden:
'Wat een olifant!'

Verschillende vormen van beeldspraak:
1. metaforen
2. metonymia

Slide 39 - Tekstslide

Beeldspraak
Metaforen
Vergelijking met verbindingswoord (syndetisch)
Vergelijking zonder verbindingswoord (asyndetisch)
Metafoor in engere zin (alleen het beeld benoemd)
Personificatie: levenloze zaken krijgen menselijke eigenschappen
Synesthesie: verschillende zintuiglijke indrukken gecombineerd

Slide 40 - Tekstslide

Beeldspraak
Metonymia (ander verband dan vergelijking):
Pars pro toto (deel voor een geheel)
Totum pro parte (geheel voor een deel)
Maker i.p.v. gemaakte (‘een Rembrandt’)
Materiaal i.p.v. het object (‘het ijzer op het ijs’)
Voorwerp i.p.v. de inhoud (‘wil je nog een kopje?’)

Slide 41 - Tekstslide

voorbeelden
personificatiie:  
alsof het een persoon is: de wind wuift over mijn gezicht (Campert)
synesthesie
zintuigen worden gecombineerd: met schaterend haar (Claus)
metonymia :
de maker i.p.v. het gemaakte: geef mij maar een Van Gogh

Slide 42 - Tekstslide

opdracht
Creatieve schrijfopdracht naar keuze:

schrijf een gedicht zonder eindrijm, waarin je een heel grote emotie met kleine alledaagse beelden verwoordt. Gebruik verschillende vormen van beeldspraak, zowel metaforen als metonymia.

Slide 43 - Tekstslide

voorbeelden

Slide 44 - Tekstslide

Slide 45 - Tekstslide

Slide 46 - Tekstslide